Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank overweegt dat de minister de aanvraag op 6 oktober 2023 heeft ontvangen en dat de beslistermijn met negen maanden is verlengd. Eiser heeft tijdig ingebrekestelling gedaan en daarna beroep ingesteld, dat gegrond wordt verklaard.
De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn op van zestien weken, verdeeld in acht weken voor het afnemen van een nader gehoor over de asielmotieven en acht weken daarna voor het nemen van het besluit. Dit volgt het 8+8-wekenmodel van de ABRvS. Tevens wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van € 15.000.
De rechtbank oordeelt dat de minister geen bestuurlijke dwangsom verbeurt wegens een onverenigbaarheid van de Tijdelijke wet met het Unierecht, maar dat de rechterlijke dwangsom wel van toepassing is. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 453,50 wegens inschakeling van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier L.M. Kalkman en is uitgesproken op 17 juni 2025.