Eiser trad op 30 oktober 2020 in dienst bij een onderneming en meldde zich kort daarna ziek. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe, maar startte een handhavingsonderzoek naar aanleiding van een interne melding over een mogelijk fictief dienstverband. Het UWV besloot de uitkering te schorsen en later geheel te beëindigen, met terugvordering van de teveel ontvangen bedragen.
Eiser betwistte het besluit en voerde onder meer aan dat het UWV niet aannemelijk had gemaakt dat hij geen werkzaamheden had verricht en dat sprake was van vooringenomenheid. De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende bewijs had geleverd dat eiser geen werkzaamheden had verricht. De verklaringen van eiser en zijn werkgever kwamen overeen en maakten aannemelijk dat eiser een week als koerier meereed en daarna werkzaamheden in de loods verrichtte.
De rechtbank stelde vast dat het UWV onvoldoende zorgvuldig onderzoek had gedaan, onder meer door geen medewerkers van de loods te bevragen. Ook was er geen sprake van vooringenomenheid. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV, oordeelde dat eiser recht had op de Ziektewet- en WIA-uitkering, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.