Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Somalische nationaliteit, diende op 12 augustus 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac-onderzoek bleek dat eiser op 14 december 2018 al in Frankrijk internationale bescherming had gevraagd. Frankrijk gaf aan dat Duitsland verantwoordelijk was, wat door Duitsland op 11 september 2024 werd bevestigd.
Eiser voerde aan dat de besluitvorming onzorgvuldig was, dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland geen reëel risico liep op schending van zijn rechten, en dat verweerder een Somalisch document niet had betrokken omdat het niet vertaald was. De rechtbank oordeelde dat Duitsland op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel geacht mag worden de asielaanvraag correct te behandelen en dat eiser niet had aangetoond dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.
De rechtbank verwierp ook het standpunt dat de nationale rechter het non-refoulementbeginsel niet mag toetsen in de Dublinprocedure, verwijzend naar recente jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak. Bovendien was het aan eiser om de relevantie van het Somalische document toe te lichten, wat niet was gebeurd. De rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die overdracht aan Duitsland onevenredig hard maakten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager op 30 januari 2025 te Middelburg.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.