Uitspraak
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse EU-onderdaan, werd door de minister van Asiel en Migratie een verwijderingsmaatregel opgelegd omdat hij geen rechtmatig verblijf had en een zwervend bestaan leidde in Nederland. De minister stelde dat eiser sinds april 2023 geen werk verrichtte, geen eigen middelen had en niet aantoonbaar naar werk zocht. Eiser voerde aan dat de maatregel disproportioneel was en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn belangen, waaronder zijn arbeidsverleden en het feit dat hij geen beroep deed op sociale voorzieningen.
De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging van de minister terecht in het nadeel van eiser was uitgevallen, mede omdat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats had en geen gezinsleven in Nederland. Verder werd geoordeeld dat de minister voldoende informatie had verstrekt over het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf, zoals vereist volgens het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de EU. De rechtbank vond het niet nodig dat de minister nader specificeerde hoe eiser zijn verblijf moest beëindigen, omdat dit per situatie verschilt.
Ten aanzien van de vertrektermijn van één maand stelde de rechtbank dat geen aanvullende belangenafweging vereist is bij het opleggen van deze termijn. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Ook het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de zaak inmiddels is afgerond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.