Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 18 maart 2024 ontvangen, waarna de minister de beslistermijn aanvankelijk met negen maanden verlengde onder toepassing van WBV 2023/26, maar deze verlenging werd weer ingetrokken. Hierdoor geldt opnieuw een beslistermijn van zes maanden.
Eiser heeft de minister op 6 februari 2025 schriftelijk in gebreke gesteld en vervolgens beroep ingesteld nadat de minister niet binnen twee weken had beslist. De rechtbank acht het beroep gegrond en vernietigt het niet tijdig genomen besluit. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, legt de rechtbank een langere beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De minister moet binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor afnemen en binnen acht weken daarna een besluit nemen. Bij overschrijding van deze termijn verbeurt de minister een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50.