ECLI:NL:RBDHA:2025:12239
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wegens onvoldoende belangenafweging
Eiser, die sinds 1973 onafgebroken in Nederland verblijft, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel 'humanitair niet-tijdelijk'. De minister wees deze aanvraag af vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en het niet voldoen aan vrijstellingscriteria, mede vanwege eerdere intrekking van zijn verblijfsvergunning en een opgelegd inreisverbod.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft dat eiser zijn vertrek uit Nederland heeft gefrustreerd. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro is daardoor onvoldoende onderbouwd, mede omdat de minister niet heeft aangetoond dat eiser nog steeds strafbare feiten pleegt en onvoldoende rekening heeft gehouden met de actuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser.
Verder concludeert de rechtbank dat het evenredigheidsbeginsel niet juist is toegepast omdat de minister niet heeft toegelicht waarom het besluit noodzakelijk is om de openbare orde te beschermen en waarom er geen minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en beveelt de minister een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt een voorlopige voorziening getroffen waardoor eiser niet mag worden uitgezet totdat het nieuwe besluit is genomen. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; de minister dient een nieuw besluit te nemen.