Deze uitspraak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de minister van Asiel en Migratie op zijn asielaanvraag, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 11 juli 2024 had bepaald dat de minister binnen zes weken opnieuw moest beslissen.
De minister heeft zich niet gehouden aan deze termijn, ook niet nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep van de minister ongegrond verklaarde. De rechtbank constateert dat de maximale beslistermijn van 21 maanden is overschreden en legt daarom een nieuwe beslistermijn van twee weken op, ingaande na verzending van deze uitspraak.
Daarnaast verbindt de rechtbank een dwangsom van € 250,- per dag aan het niet naleven van deze termijn, met een maximum van € 37.500,-. De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege de inschakeling van een professionele hulpverlener.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een langere termijn toe te staan en benadrukt dat de dwangsom en termijnstelling voortvloeien uit de onverbindendverklaring van een eerdere wettelijke uitzondering door de Afdeling bestuursrechtspraak. Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen.