ECLI:NL:RBDHA:2025:12306

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
10 juli 2025
Zaaknummer
NL25.19158 en NL25.19159
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 31 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank stelt minister in gebreke wegens niet tijdig beslissen op asielaanvragen en legt dwangsom op

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op hun asielaanvragen, nadat de rechtbank in eerdere uitspraken van 15 oktober 2024 een beslistermijn van zestien weken had gesteld.

De rechtbank oordeelt dat de beroepen ontvankelijk zijn, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn in eerdere uitspraken. De minister heeft niet binnen de gestelde termijn besloten, waardoor de beroepen gegrond zijn.

De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn van zes weken op om alsnog besluiten te nemen. Tevens wordt een bestuurlijke dwangsom van €250 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van €37.500. De rechtbank wijst ook proceskosten toe aan eisers van €453,50 vanwege het inschakelen van juridische hulp.

De uitspraak benadrukt dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND niet van toepassing is op deze zaak, conform een eerdere uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De zaken worden als samenhangend beschouwd omdat eisers broers zijn en dezelfde gemachtigde hebben.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen gegrond, legt een beslistermijn van zes weken op en een dwangsom van €250 per dag bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.19158 en NL25.19159
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1] ,met V-nummer: [V-nummer 1] ,
[eiser 2] ,met V-nummer: [V-nummer 2] . hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. M.A. Vegter), en
de minister van Asiel en Migratie,de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend naar aanleiding van de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 15 oktober 2024¹. In die uitspraken staat onder meer dat de minister binnen zestien weken na verzending van die uitspraken moet beslissen op de aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag). Eisers stellen nu beroepen in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op de aanvragen.
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.²
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.³
Zijn de beroepen van eisers ontvankelijk?
3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraken van 15 oktober 2024 een
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van besluiten.⁴ Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling zijn de beroepen van eisers dus ontvankelijk.
Zijn de beroepen van eisers gegrond?
4. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog besluiten heeft genomen op de aanvragen. De beroepen zijn kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
5. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.⁵
6. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers inmiddels zijn gehoord op hun asielmotieven. Verder stelt de rechtbank vast dat de termijn van 21 maanden⁶ waarbinnen de minister de asielaanvragen van eisers moet hebben behandeld, is overschreden.
7. De rechtbank overweegt dat de termijn van 21 maanden ziet op de beslistermijn. Dit moet worden onderscheiden van de nadere beslistermijn die de rechtbank met deze uitspraak oplegt. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij moet zij rekening houden met zowel het belang van een snelle als een zorgvuldige besluitvorming.⁷ De omstandigheid dat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt.
8. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvragen bekend moet maken. De rechtbank acht het niet onmogelijk voor de minister om binnen deze termijn op zorgvuldige wijze besluiten te nemen. Omdat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, legt de rechtbank een kortere nadere beslistermijn op dan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) met het 8+8-wekenmodel heeft ontwikkeld in haar uitspraak van 8 juli 2020⁸.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
9. In het geval het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist, dan draagt de bestuursrechter het bestuursorgaan op om dit binnen een bepaalde termijn alsnog te doen. De bestuursrechter verbindt aan het niet naleven daarvan een dwangsom.⁹ In artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet)¹⁰ was bepaald dat deze bepalingen niet van toepassing zijn op een besluit op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor

4.ECLI:NL:RVS:2021:774.

5 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
6 Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
7 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560.
9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
10 De Tijdelijke wet was van kracht van 11 juli 2021 tot 15 april 2025 en is op deze zaak nog van toepassing.
bepaalde tijd. De ABRvS heeft echter in haar uitspraak van 30 november 2022¹¹ geoordeeld dat deze bepaling uit de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend was. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de minister wél opdraagt om binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en dat de bestuursrechter aan het niet naleven door de minister een dwangsom verbindt.
10. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hebben vastgesteld.¹² De rechtbank bepaalt in deze zaken, met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, dat de minister een dwangsom van
€ 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 37.500,-.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
11. Eisers hebben de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
12. Het bestuursorgaan verbeurt een bestuurlijke dwangsom aan een betrokkene als het niet op tijd een beslissing neemt. Op grond van de Tijdelijke wet werd geen bestuurlijke dwangsom verbeurd als de minister niet tijdig beslist op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De vraag ontstond of dit in strijd was met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. De ABRvS heeft in haar uitspraak van 30 november 2022¹³ geoordeeld dat het opschorten van de bestuurlijke dwangsom geen strijd oplevert met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Daarmee staat vast dat de minister geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd als hij te laat beslist op een dergelijke aanvraag.
Conclusie en gevolgen
13. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen zes weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
14. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hun een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
15. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken.. Immers, eisers zijn broers en hebben dezelfde advocaat. Hun beroepschriften zijn ook

11.ECLI:NL:RVS:2022:3353.

12 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
gelijktijdig ingediend. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.¹⁴ Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.¹⁵
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;
  • draagt de minister op om
  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-, toe te kennen in zaaknummer NL25.19158;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50, toe te kennen in zaaknummer NL25.19158.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van R.C. Gürel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 Artikel 3 van Pro het Bpb.
24 juni 2025
Documentcode: [documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.