Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op hun asielaanvragen, nadat de rechtbank in eerdere uitspraken van 15 oktober 2024 een beslistermijn van zestien weken had gesteld.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen ontvankelijk zijn, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn in eerdere uitspraken. De minister heeft niet binnen de gestelde termijn besloten, waardoor de beroepen gegrond zijn.
De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn van zes weken op om alsnog besluiten te nemen. Tevens wordt een bestuurlijke dwangsom van €250 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van €37.500. De rechtbank wijst ook proceskosten toe aan eisers van €453,50 vanwege het inschakelen van juridische hulp.
De uitspraak benadrukt dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND niet van toepassing is op deze zaak, conform een eerdere uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De zaken worden als samenhangend beschouwd omdat eisers broers zijn en dezelfde gemachtigde hebben.