Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie tot verlening van een asielvergunning met een bepaalde ingangsdatum. Eiseres betwist de vastgestelde ingangsdatum en stelt dat haar identiteit ten onrechte niet geloofwaardig is bevonden.
De rechtbank stelt vast dat het herstelbesluit van 28 april 2025 de ingangsdatum heeft gewijzigd naar 2 maart 2022, wat overeenkomt met het subsidiaire betoog van eiseres. Het primaire betoog dat de ingangsdatum op 7 november 2021 had moeten liggen, faalt omdat eiseres zelf verklaarde nooit asiel te hebben aangevraagd in Italië en Eurodac-onderzoek dit niet ondersteunt.
Met betrekking tot de geloofwaardigheid van de identiteit oordeelt de rechtbank dat de minister de identiteit terecht ongeloofwaardig heeft bevonden conform de werkinstructie 2024/6 en artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres heeft geen documenten kunnen overleggen en geen voldoende verklaring gegeven voor het ontbreken daarvan.
Het beroep tegen het herstelbesluit wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, omdat zij met het herstelbesluit aan haar is tegemoetgekomen.