Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 17 september 2024 en moest binnen zes maanden besluiten. Eiser stelde de minister op 13 mei 2025 schriftelijk in gebreke en stelde daarna beroep in, wat gegrond werd verklaard.
De rechtbank volgt het 8+8- wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van het vonnis een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Omdat de minister niet tijdig heeft beslist, legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50, omdat eiser een professionele gemachtigde inschakelde. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt op 9 juli 2025.