Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 11 februari 2024 ontvangen en de minister moest binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 16 mei 2025 in gebreke en diende daarna beroep in, dat gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen, conform het 8+8- wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij overschrijding van deze termijn is een dwangsom van € 100,- per dag van toepassing, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier L.M. Kalkman op 9 juli 2025.