Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 2 februari 2024 ontvangen, waarbij de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 20 mei 2025 in gebreke en diende daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn op volgens het 8+8- wekenmodel, waarbij eerst binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna een besluit moet worden genomen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier L.M. Kalkman op 9 juli 2025 in Utrecht.