ECLI:NL:RBDHA:2025:12371
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoekster een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om bezwaar tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning als familielid ongegrond te verklaren.
De voorzieningenrechter heeft overwogen dat op 23 november 2021 reeds een uitspraak is gedaan op het beroep dat aan deze voorlopige voorziening ten grondslag ligt. Hierdoor ontbreekt de vereiste connexiteit met een nog lopende bodemzaak, zoals bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Op grond hiervan is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit met een lopende bodemzaak.