Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank stelt vast dat de minister de beslistermijn van 21 maanden heeft overschreden, ondanks een verlenging van negen maanden onder WBV 2023/34.
De rechtbank overweegt dat eiser tijdig een ingebrekestelling heeft gedaan en vervolgens het beroep heeft ingesteld. De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn van zes weken op om alsnog een besluit te nemen, waarbij een zorgvuldige besluitvorming mogelijk wordt geacht binnen deze termijn.
Daarnaast verbindt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag aan het niet naleven van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50 vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier L.M. Kalkman en is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025.