Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 8 juli 2024, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 10 maart 2025 in gebreke en diende daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn op van zestien weken, verdeeld in twee fases: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor over de asielmotieven afnemen, en binnen acht weken daarna moet het besluit worden genomen. Deze termijn is gebaseerd op het 8+8-wekenmodel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier M.M. Mulder op 1 juli 2025.