Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 2 oktober 2024, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 10 april 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in wegens het uitblijven van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Gelet op het feit dat eiser op 12 oktober 2024 is gehoord over zijn asielmotieven, legt de rechtbank een nadere beslistermijn van acht weken op, zodat de minister voldoende tijd heeft voor zorgvuldige besluitvorming en eiser gelegenheid krijgt om te reageren op een voornemen.
Verder verbindt de rechtbank aan de uitspraak een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De rechtbank veroordeelt de minister tevens tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.M. Mulder op 8 juli 2025.