ECLI:NL:RBDHA:2025:12711

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2025
Publicatiedatum
15 juli 2025
Zaaknummer
NL23.38560
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000OpvangrichtlijnProcedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank stelt eerdere ingangsdatum verblijfsvergunning asiel vast na onjuiste registratie

Eiser diende op 19 oktober 2022 schriftelijk een asielverzoek in en stelde dat hij zich op 27 oktober 2022 persoonlijk meldde bij het Aanmeldcentrum (AC) om zijn asielwens kenbaar te maken. Verweerder had de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vastgesteld op 28 januari 2023, de datum waarop het M35-H formulier werd ondertekend.

De rechtbank oordeelt dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich op 27 oktober 2022 bij het AC heeft gemeld en zijn asielwens in persoon heeft geuit, ondanks het ontbreken van een registratie of loopbrief vanwege de overvolle situatie in het AC destijds. De rechtbank volgt hiermee het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de ingangsdatum moet aansluiten bij het moment van persoonlijke uiting van de asielwens.

Het beroep is gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het de ingangsdatum betreft, en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vastgesteld op 27 oktober 2022. Verweerder is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast op 27 oktober 2022 en vernietigt het bestreden besluit voor zover het deze datum betreft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.38560

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

[v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met als ingangsdatum 28 januari 2023, geldig tot 28 januari 2028.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, enkel voor wat betreft de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning asiel.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Eiser heeft op 19 oktober 2022 schriftelijk een asielverzoek ingediend. In reactie hierop is op 26 oktober 2022 door [persoon A] ( [persoon A] ), medewerker van de afdeling planning van de IND in het Aanmeldcentrum (AC) in [plaats] , telefonisch contact opgenomen met eisers gemachtigde. Eiser stelt dat hij zich op advies van [persoon A] op 27 oktober 2022 (met zijn vader) in persoon heeft gemeld bij het AC om asiel aan te vragen, met een begeleidende brief van zijn advocaat van 26 oktober 2022 [1] . Eiser stelt dat hij toen is weggezonden omdat het AC overvol was (zoals algemeen bekend is en ook blijkt uit te googelen informatie uit die tijd). Op 28 januari 2023 heeft eiser het M35-H formulier ondertekend. In het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel verleend met ingang van
28 januari 2023. Eiser voert aan dat deze ingangsdatum onjuist is. Omdat eiser al op
27 oktober 2022 zijn asielwens heeft geuit bij het AC moet dat de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning zijn.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet met de brief van eisers gemachtigde van 26 oktober 2022 is aangetoond dat eiser al op 27 oktober 2022 zijn asielwens heeft geuit bij het AC. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:159, dient te worden uitgegaan van de datum van de loopbrief (in eisers geval 23 januari 2023). Gelet op het feit dat de datum daarvan slechts een aantal dagen ligt voor de thans vastgestelde ingangsdatum van de asielvergunning ontbreekt het eiser aan procesbelang. Verweerder verzoekt de rechtbank dan ook primair om niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Voor zover de rechtbank toch van oordeel is dat het beroep ontvankelijk is, verzoekt verweerder om proceseconomische redenen en uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen op 23 januari 2023, en te bepalen dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. Gelet op de omstandigheid dat eiser in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en er alleen wordt geprocedeerd over de ingangsdatum daarvan, verzoekt verweerder bij de proceskostenveroordeling de wegingsfactor zeer licht (0,25) toe te passen.
5. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling op 20 januari 2025 heeft geoordeeld dat het Unierecht niet voorschrijft wat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel dient te zijn. Het stond de Nederlandse wetgever dus vrij om ervoor te kiezen dat de minister een asielvergunning verleent met ingang van de datum waarop hij de aanvraag heeft ontvangen [2] . Die keuze werpt echter de vraag op wanneer er sprake is van het ontvangen van een asielaanvraag. Het Unierecht bepaalt wanneer daarvan sprake is. Een vreemdeling kan een asielverzoek vormvrij doen en van een asielverzoek is al sprake zodra de vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten zijn asielwens kenbaar maakt. Er is dus niet pas sprake van een asielverzoek in de zin van de Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn als een vreemdeling zijn verzoek formeel heeft ingediend, bijvoorbeeld op een voorgeschreven aanvraagformulier. De nationaalrechtelijke keuze om aan te sluiten bij het begrip asielaanvraag, heeft daarom tot gevolg dat voor de ingangsdatum bepalend is het moment dat een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten zijn asielwens kenbaar maakt. Aldus de Afdeling in genoemde uitspraak van 20 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:159.
6. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat het beroep ontvankelijk is. Ook indien uitgegaan zou worden van de datum van de loopbrief, resulteert dit in een eerdere ingangsdatum van de asielvergunning. Dat dit slechts enkele dagen betreft ten opzichte van de door verweerder gehanteerde ingangsdatum, maakt niet dat dit voor eiser niet van betekenis is en dat er daarom geen procesbelang is. Eiser kan door de eerdere ingangsdatum eerder aanspraak maken op de rechten die uit een asielvergunning voortvloeien.
6.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser, gelet op de aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden van dit geval, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich op 27 oktober 2022 bij het AC heeft gemeld en zijn asielwens in persoon heeft geuit ten overstaan van de autoriteiten, maar dat dit toen niet heeft geresulteerd in een registratie en verstrekking van een loopbrief. Weliswaar heeft eiser geen document overgelegd waaruit blijkt dat hij zich op die datum in het AC heeft gemeld om asiel aan te vragen. De door eiser gestelde gang van zaken wordt echter gestaafd met de door zijn gemachtigde aan verweerder gezonden brieven van 19 en 27 [3] oktober 2022 (waar van de ontvangst door verweerder niet is betwist), in samenhang met de bevestiging door verweerder ter zitting dat er op 26 oktober 2022 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen [persoon A] en eisers gemachtigde en de overgelegde brief van eisers gemachtigde van 26 oktober 2022. Bovendien past de door eiser gestelde gang van zaken in het beeld dat oprijst uit algemeen bekende informatie over de situatie destijds in het overbelaste AC. Alhoewel de ter zitting door verweerder gestelde inhoud van het telefoongesprek van 26 oktober 2022 iets afwijkt van wat eiser stelt [4] , acht de rechtbank ook op basis van wat verweerder hierover verklaart aannemelijk dat dit gesprek erin heeft geresulteerd dat eiser naar het AC is gegaan. Verweerder heeft ter zitting nog verklaard dat het kan zijn dat eiser op 27 oktober 2022 in het AC is geweest, maar dat het een eigen keuze van eiser is geweest om op een later tijdstip terug te komen; het is verweerder niet bekend dat er vreemdelingen zijn heengezonden zonder registratie en zonder dat hen een loopbrief is gegeven [5] . De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Zij ziet voor eisers stelling dat vreemdelingen in de hectische omstandigheden van destijds feitelijk niet altijd bij aanmelding werden geregistreerd bevestiging in openbare bronnen [6] . Gelet op dit alles slaagt de beroepsgrond van eiser over de ingangsdatum van zijn asielvergunning.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover verweerder daarin de ingangsdatum van eisers verblijfsvergunning asiel heeft vastgesteld op 28 januari 2023. Uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen op 27 oktober 2022 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit.
8. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het
Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand vast op € 1.814,-, namelijk 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1. De rechtbank ziet geen aanleiding om een wegingsfactor van 0,25 toe te passen, zoals door verweerder bepleit. Voor het bepalen van de wegingsfactor is het gewicht van de zaak bepalend. Een behandeling van een zaak in de bezwaar-en beroepsprocedure behoort in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij zich duidelijke redenen voordoen om hiervan af te wijken (ECLI:NL:RVS:2015:408). Dergelijke redenen zijn in deze zaak niet gebleken. Het beroep tegen de ingangsdatum van het bestreden besluit vergt een inhoudelijke beoordeling en behoort tot de categorie gemiddeld. De rechtbank ziet ook in de eerder vermelde uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2025 geen aanknopingspunten om een lagere wegingsfactor toe te kennen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 16 november 2023, voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is vastgesteld op 28 januari 2023;
- stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 27 oktober 2022;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 16 november 2023;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.M.M. Plukaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.In deze brief schrijft eisers gemachtigde onder meer dat eiser een asielverzoek wil indienen, dat op 19 oktober jl. een schriftelijk verzoek om registratie van eisers asielverzoek aan de IND is verzonden en dat eiser zich in overleg met [persoon A] thans in [plaats] meldt om de aanvraag in persoon in te dienen.
2.Artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Eisers gemachtigde schrijft in deze brief aan [persoon A] (kort samengevat) dat [persoon A] op 26 oktober 2022 telefonisch heeft gezegd dat eiser de asielaanvraag in persoon in [plaats] moest doen en dat de wachtrijen voorbij waren, dat eiser zich op 27 oktober 2022 in [plaats] heeft gemeld maar dat hem is gezegd dat zijn aanvraag nog niet in behandeling kon worden genomen en dat hij na 2 à 3 maanden kon worden gehoord en daarbij de gelegenheid zou krijgen een asielaanvraag in te dienen. Eiser werd geadviseerd over 2 à 3 maanden terug te komen: misschien zou het dan rustiger zijn in [plaats] . Eiser maakt in deze brief bezwaar tegen de feitelijke weigering zijn asielaanvraag te registreren en in behandeling te nemen.
4.Volgens verweerder kan uit interne notities worden opgemaakt dat is gesproken over zorgen dat eiser zou moeten overnachten op het grasveld, is door de IND gezegd dat daarvan geen sprake zou zijn en dat een intake enkele dagen zou duren.
5.Volgens verweerder werden alle vreemdelingen die zich meldden geregistreerd en ontvingen zij een loopbrief, en werd deze registratie binnen drie dagen in de systemen van verweerder opgenomen.
6.Zie onder meer de bevindingen van de Inspectie, weergegeven op pagina 3 van het rapport van de Nationale Ombudsman van 25 april 2024 ‘Verboden hulp te bieden? Een onderzoek naar de positie van burgers die hulp boden toen de overheid tekortschoot’ en het standpunt van Vluchtelingenwerk Nederland, weergegeven in de uitspraak in kort geding van de rechtbank Den Haag van 6 oktober 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:10210), rechtsoverweging 5.4. De informatie van de Inspectie ziet weliswaar op de periode juli en augustus 2022, maar uit onder meer rechtsoverweging 6.36 van genoemde uitspraak in kort geding en de quickscan van Vluchtelingenwerk in oktober 2022 (weergegeven in de Brief van Vluchtelingenwerk Nederland ten behoeve van het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van 19 oktober 2022) blijkt dat de situatie in het AC in het najaar van 2022 nog niet verbeterd was. De instroom was in het vierde kwartaal van 2022 (evenals in het derde kwartaal) ook nog aanzienlijk hoger dan in het tweede kwartaal (zoals blijkt uit cijfers van het CBS van 30 januari 2023 (https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2023/05/asielverzoeken-met-ruim-40-procent-toegenomen-in-2022).