ECLI:NL:RBDHA:2025:12780

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2025
Publicatiedatum
16 juli 2025
Zaaknummer
NL25.30199
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaard beroep tegen voortduren maatregel van bewaring met zicht op uitzetting naar Algerije

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 28 maart 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 12 juni 2025, waarna alleen de periode daarna werd beoordeeld.

Eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije, mede vanwege het uitblijven van een laissez passer na meerdere rappelleringen en het niet kunnen bereiken van de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank oordeelde dat er in het algemeen wel zicht is op uitzetting naar Algerije en dat het ontbreken van een reactie binnen vijf maanden niet betekent dat het zicht ontbreekt, vooral gezien de complexiteit van het lp-traject en het ontbreken van identiteitsdocumenten.

Daarnaast rust op eiser de verplichting om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting, wat hij onvoldoende deed, onder meer door het weigeren een vrijwilligersbrief te schrijven. De rechtbank concludeerde dat er geen concrete aanwijzingen waren dat het lp-traject zou mislukken bij medewerking van eiser.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir en griffier A. Duijf op 14 juli 2025 te Rotterdam.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30199

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 28 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het vooronderzoek is gesloten op 14 juli 2025.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 juni 2025 (in de zaak NL25.25416) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 12 juni 2025) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 12 juni 2025.
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in zijn geval ontbreekt. Verweerder heeft al negen keer op de laissez passer (lp) aanvraag van 4 februari 2025 gerappelleerd, zonder dat dit tot afgifte van een lp heeft geleid. Daarnaast hebben zowel eiser als de regievoerder geprobeerd telefonisch contact op te nemen met de Algerijnse autoriteiten. Dit is niet gelukt.
2.1.
De rechtbank overweegt dat (sinds december 2023) in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722).
2.2.
Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 4 februari 2025 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Algerijnse autoriteiten. Dat er tot op heden, na ongeveer vijf maanden, geen (positieve) reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent, gelet op wat er onder 2.1. is overwogen, niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De omstandigheid dat het niet gelukt is om de Algerijnse autoriteiten telefonisch te bereiken, of dat verweerder al meerdere keren op de lp-aanvraag heeft gerappelleerd doet hier niet aan af. Met een lp-traject bij de Algerijnse autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid, zeker als (zoals ook in de onderhavige zaak) geen identiteitsdocument is overgelegd. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat (in de te beoordelen periode) voldoende doet. Zo volgt uit het verslag van het vertrekgesprek van 27 juni 2025 dat eiser niet bereid is om een vrijwilligersbrief te schrijven. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat dit mogelijk kan bijdragen aan het verstrekken van een lp en dat het niet schrijven van een vrijwilligersbrief laat zien dat eiser niet volledig en actief wil meewerken aan zijn uitzetting en lp-traject. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject, als hij wel zou meewerken, op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.