De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot teruggeleiding van zijn minderjarige kind van Nederland naar Australië. De vader betwistte dat hij toestemming had gegeven voor een definitieve verhuizing naar Nederland, hoewel hij instemde met een tijdelijk verblijf. De moeder vertrok in november 2023 met het kind naar Nederland zonder vaste terugkeerdatum, wat leidde tot een geschil over gezagsrecht en verblijfplaats.
De rechtbank oordeelde dat de vader geen toestemming had gegeven voor de definitieve verhuizing en dat de vasthouding van het kind in Nederland ongeoorloofd was volgens het Haagse Verdrag internationale kinderontvoering. Hoewel het kind inmiddels langer dan een jaar in Nederland verbleef, werd gezien de jonge leeftijd geen sprake geacht van worteling. De moeder's bezwaren over mogelijke ondragelijke omstandigheden bij terugkeer werden niet gegrond bevonden.
De rechtbank gelastte de onmiddellijke terugkeer van het kind naar Australië uiterlijk 24 juli 2025, waarbij de moeder het kind moet terugbrengen of anders het paspoort aan de vader moet overhandigen. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen. De beschikking is uitgesproken door drie kinderrechters en kan in hoger beroep worden aangevochten.