ECLI:NL:RBDHA:2025:12898

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
NL24.50293
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 31 VwVreemdelingenwet 2000Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag lesbische vrouw uit Uganda wegens ongeloofwaardigheid onterecht

Eiseres, een vrouw uit Uganda, diende op 22 december 2019 een asielaanvraag in vanwege haar lesbische geaardheid. Haar aanvraag werd aanvankelijk afgewezen, maar de rechtbank vernietigde dat besluit wegens onvoldoende zorgvuldigheid en motivering. Verweerder wees de aanvraag opnieuw af, wederom als ongegrond, vanwege twijfel aan de geloofwaardigheid van haar seksuele geaardheid.

De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiseres haar lesbische gerichtheid niet aannemelijk had gemaakt. Eiseres had haar innerlijke tweestrijd en persoonlijke beleving overtuigend toegelicht, en de rechtbank vond haar verklaringen en overgelegde bewijsstukken, waaronder Whatsapp-berichten en een brief van haar tante, geloofwaardig genoeg om het standpunt van verweerder te weerleggen.

De rechtbank oordeelde dat de afwijzing in strijd was met het motiveringsbeginsel en vernietigde het bestreden besluit. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en draagt op tot een nieuw besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50293

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,

mede ten behoeve van haar minderjarige kind [kind] ,
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Vanaf 4 staat het procesverloop in dit geding. Daar zijn ook de van belang zijnde feiten en omstandigheden vermeld die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 9. Daarbij gaat de rechtbank in op beoordelingskader, het landgebonden beleid en de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

4. Eiseres stelt dat zij is geboren op [datum 1] 1987 en dat zij de Ugandese nationaliteit heeft. Op 22 december 2019 heeft zij haar asielaanvraag ingediend. De aanvraag geldt mede voor haar zoontje [kind] (geboren [datum 2] 2018).
5. Verweerder heeft de asielaanvraag in eerste instantie met het besluit van 10 juni 2021 afgewezen als ongegrond. Het beroep tegen dat besluit is door deze rechtbank en zittingsplaats met de uitspraak van 30 juli 2024 gegrond verklaard (zaaknummer NL21.9581). De rechtbank heeft daarbij het besluit van 10 juni 2021 vernietigd omdat het niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en het als gevolg daarvan ook niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft verweerder de opdracht gegeven om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen.
6. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 november 2024 de aanvraag opnieuw afgewezen als ongegrond.
7. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
8. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
9. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij lesbisch is. Toen eiseres in India studeerde heeft zij de Ugandese [persoon 1] ontmoet, met wie zij elf jaar lang een relatie heeft gehad in India en later ook in Uganda. Zij is in Uganda in de problemen gekomen nadat zij en [persoon 1] in [plaats] zijn betrapt op seksuele handelingen in een onafgebouwd huis door mensen uit de buurt. Zij zijn door deze mensen fysiek zo mishandeld dat ze naar het ziekenhuis moesten voor behandeling. Dit incident heeft plaatsgevonden op 15 december 2017. Om het incident geheim te houden, heeft zij de voorzitter van het dorp afgekocht met 300.000 shillings. Eiseres heeft verklaard dat zij nooit officieel getrouwd is geweest, maar dat zij wel in een traditioneel huwelijk is gedwongen. Eiseres’ moeder heeft haar na het incident onder druk gezet om terug te keren naar het gedwongen huwelijk. Dat kon zij echter niet accepteren omdat zij geen gevoelens had voor deze man. Op 5 december 2019 is eiseres uit Uganda vertrokken.
10. Eiseres heeft later (op 27 maart 2024) ook een opvolgende asielaanvraag ingediend. In dat kader heeft zij als nieuw asielmotief aangedragen dat zij in Nederland een nieuwe vrouwelijke partner heeft gekregen, genaamd [persoon 2] , en dat zij is gegroeid in haar seksuele identiteit. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 30 juli 2024 overwogen dat zij het van belang vindt, gelet op de zeer fragiele positie van LHBTIQ+ in Uganda, dat verweerder in zijn nieuw te nemen besluit op de asielaanvraag van 22 december 2019 ook nader onderzoek verricht naar wat eiseres in het kader van haar opvolgende asielaanvraag van 27 maart 2024 heeft aangevoerd. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, waarmee de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
Het bestreden besluit
11. De aanvraag is afgewezen als ongegrond omdat verweerder de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiseres ongeloofwaardig acht. Verweerder heeft eiseres over haar asielmotief gehoord. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de documenten die eiseres heeft overgelegd, haar verklaringen niet volledig onderbouwen en dat haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
De beoordeling
12. Uit artikel 31, eerste lid, van de Vw [1] volgt dat het op de weg van eiser ligt om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Uit artikel 31, vierde lid, van de Vw volgt dat verweerder in zijn beoordeling rekening moet houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser, waartoe factoren behoren als achtergrond, geslacht en leeftijd.
13. Voor de beoordeling van asielaanvragen waarbij seksuele geaardheid als asielmotief wordt aangevoerd, hanteert verweerder WI [2] 2019/17. In het kader van het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gestelde geaardheid worden onder meer vragen gesteld over een aantal vaste thema’s: het privéleven van de vreemdeling, huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti-groepen in het land van herkomst, contact met lhbti’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie en discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. In het algemeen ligt het zwaartepunt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele geaardheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst en hoe diens ervaringen in het algemeen beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar een lhbti-geaardheid maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is. De rechtbank acht deze wijze van beoordeling aanvaardbaar.
14. Een uitgangspunt van WI 2019/17 is ook dat de hoormedewerker zich tijdens het gehoor onbevangen opstelt en dat hij zo veel mogelijk voorkomt dat deze (onbewust) redeneert vanuit een persoonlijk, vaak westers, referentiekader. Er dient te worden doorgevraagd op de persoonlijke belevingen van de vreemdeling en de persoonlijke betekenis die de gebeurtenissen voor de vreemdeling hebben gehad. Bij het stellen van vragen dient ook rekening te worden gehouden met de mate waarin mensen hun gerichtheid in woorden kunnen vatten, omdat dit per persoon zal verschillen. Daarbij is opgemerkt dat niet iedere vreemdeling gewend is om over zijn persoonlijke ervaringen en gevoelens te praten. De opdracht aan de hoormedewerker is dan om zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij het niveau en de wijze van vertellen van de vreemdeling en zijn referentiekader.
15. Volgens de rechtspraak van de Afdeling [3] moet verweerder inzichtelijk maken hoe hij rekening houdt met het referentiekader van de vreemdeling. [4]
Het landgebonden beleid
16. De zeer fragiele positie van lesbische vrouwen in Uganda staat niet ter discussie. In het landenbeleid van verweerder zijn LHBTIQ+ voor Uganda als risicoprofiel aangemerkt. [5] In paragraaf C7/35.3.2.1 van de Vc [6] staat dat LHBTIQ+ een zeer fragiele positie hebben in Uganda, ook als gevolg van de ondertekening van de anti-homoseksualiteitswet. Vervolgens is vermeld dat dit betekent dat verweerder aan Ugandese LHBTIQ+ een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleent, tenzij contra-indicaties de verlening van een verblijfsvergunning asiel in de weg staan.
De geloofwaardigheid
17. Verweerder vindt dat eiseres geen inzicht heeft gegeven in haar persoonlijke beleving van haar seksuele geaardheid. Verweerder vindt dat eiseres daarover oppervlakkig heeft verklaard. Volgens verweerder heeft eiseres ook tegenstrijdige verklaringen afgelegd, met name over de relaties die eiseres stelt te hebben gehad met [persoon 1] en [persoon 2] . Verweerder heeft zijn standpunt uitvoerig gemotiveerd in het bestreden besluit en het daaraan voorafgegane voornemen. Niet kan dan ook worden gezegd dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft in het bestreden besluit zijn standpunt ook deels bijgesteld. Verweerder is op basis van de zienswijze van eiseres teruggekomen op zijn standpunt dat eiseres wisselend zou hebben verklaard over haar gevoelens tijdens haar jeugd. Dit heeft de conclusie van verweerder over de ongeloofwaardigheid van de gestelde seksuele geaardheid echter niet gewijzigd.
18. Toch is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres haar lesbische gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft de tegenwerpingen van verweerder in haar beroepsgronden namelijk goed weten te weerleggen. Zo heeft eiseres bijvoorbeeld terecht erop gewezen [7] dat zij uitvoerig heeft verklaard over de innerlijke tweestrijd waarin zij verkeerde na haar ontmoeting met [persoon 1] , dat zij accepteerde dat zij zich aangetrokken voelde tot haar, maar dat zij deze gevoelens tegelijkertijd niet normaal vond. Dat verklaringen op dat punt tegenstrijdig of ongerijmd op verweerder overkomen, is inherent aan verklaringen over een innerlijke tweestrijd, en kan eiseres om die reden niet worden tegengeworpen. Hetzelfde geldt voor de tegenwerping dat eiseres vaag heeft verklaard over haar persoonlijke ervaring van het proces rondom de ontdekking van haar seksuele gerichtheid. De rechtbank leest in de verklaringen van eiseres een oprechte poging om de gehoormedewerker inzicht te geven in haar gevoelens en ervaringen van destijds. Concreet wijst eiseres in haar beroepsgronden bijvoorbeeld op haar verklaring:
“Ik heb nooit zo een gevoel gehad voor een jongen. Toen ik haar zag voelde ik mij tot haar aangetrokken. Ik voelde iets ongewoons voor haar. Mag ik iets zeggen? Wanneer ik over acceptatie praat is het verwarrend voor jullie of hoe ik daar over praat. Ik praat niet over accepteren dat ik lesbisch ben en daar vrede mee heb. Ik zeg alleen dat ik haar aantrekkelijk vond en ik accepteerde dat ik haar aantrekkelijk vond en besloot om in haar buurt te blijven. dat was voordat ik iets met haar kreeg.”. [8] De rechtbank volgt eiseres ook in haar beroepsgrond zij de tijdlijn vanaf het moment dat zij [persoon 1] ontmoette en zich realiseerde dat zij [persoon 1] aantrekkelijk vond tot het moment dat zij een relatie met haar kreeg, op begrijpelijke en inzichtelijke wijze heeft beschreven.
19. Verweerder heeft eiseres op 3 september 2024 aanvullend gehoord, met name over haar relatie in Nederland met [persoon 2] . Eiseres heeft daarbij ook inzage gegeven in haar Whatsapp-conversatie met [persoon 2] . Verweerder heeft geconcludeerd dat uit de verklaringen van eiseres en uit de berichten geen liefdesrelatie blijkt. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Eiseres heeft bij het aanvullend gehoor toegelicht hoe de relatie met [persoon 2] is ontstaan en hoe deze zich heeft ontwikkeld. [9] Zij heeft verklaard dat de relatie is begonnen na een etentje, dat zij vervolgens zijn gaan daten en dat ze tijdens die dates ook wat lichamelijker zijn geworden. Verder heeft zij verklaard over onzekerheid en jaloezie bij [persoon 2] over het contact dat eiseres heeft met haar zoon en dat daardoor ruzies ontstonden. De rechtbank ziet in de afgelegde verklaringen en in de Whatsapp-berichten voldoende aanwijzingen voor een relatie die een vriendschap overstijgt. Verweerder heeft eiseres tegengeworpen dat zij te weinig details kent van [persoon 2] , dat zij bijvoorbeeld niet weet wanneer haar verjaardag is en in welke restaurant zij werkte. Eiseres heeft deze tegenwerpingen uitvoerig besproken in de zienswijze en in de beroepsgronden. Eiseres heeft ook terecht opgemerkt dat verweerder de details en eigenschappen van [persoon 2] die zij wel heeft benoemd, niet heeft meegewogen. Daarop is onvoldoende gereageerd.
20. Eiseres heeft bij haar opvolgende aanvraag van 27 maart 2024 een brief van haar [tante] overgelegd, waarin deze verklaart dat eiseres [persoon 1] aan haar heeft voorgesteld en dat [persoon 1] ook wel eens bleef slapen in het ouderlijk huis. Verweerder heeft overwogen dat het ongerijmd is dat eiseres risico zou nemen om [persoon 1] aan haar tante voor te stellen en om haar te laten logeren in het ouderlijk huis als eiseres de relatie met [persoon 1] geheim wilde houden. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Het is goed voorstelbaar dat eiseres [persoon 1] aan haar ouders heeft voorgesteld als een vriendin en dat zij vanuit die veronderstelling ook samen mochten uitgaan en samen mochten slapen. Bovendien leidt de rechtbank uit de brief van de tante af dat de tante zelf ook homoseksueel is en Uganda heeft verlaten, en acht de rechtbank het dus niet ongerijmd dat eiseres deze tante mogelijk wel in vertrouwen heeft genomen. Dat eiseres vervolgens [persoon 1] heeft meegenomen naar een onafgebouwd huis om daar met haar intiem te kunnen zijn, is daarmee ook niet tegenstrijdig.
21. Verweerder heeft bij de brief van de tante op zich terecht de kanttekening geplaatst dat deze op verzoek van eiseres is opgesteld en niet objectief is, en dat om die reden weinig bewijswaarde aan de brief kan worden toegekend. Hetzelfde geldt voor de overgelegde verklaring van [persoon 2] . Daarbij heeft verweerder op zitting nog opgemerkt dat het handschrift van de tante erg lijkt op dat van [persoon 2] . De rechtbank kent aan de brieven om die reden ook geen doorslaggevende betekenis toe. De rechtbank wil met de verwijzing naar de brief van de tante alleen motiveren waarom de tegenwerpingen van verweerder niet worden gevolgd.
22. Verweerder heeft in het verweerschrift nog verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 december 2024 [10] die door de Afdeling is bevestigd in hoger beroep op 30 december 2024. [11] Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een vergelijkbare situatie. De uitspraak beschrijft namelijk een besluit op een opvolgende aanvraag van een Nigeriaanse man waarbij de homoseksuele geaardheid pas in de opvolgende aanvraag als asielmotief naar voren is gebracht en waarbij een ander asielmotief in eerste instantie ook ongeloofwaardig is geacht. Hier gaat het om een vrouw uit Uganda die haar seksuele geaardheid meteen en als enige asielmotief naar voren heeft gebracht. Bovendien laten asielmotieven over seksuele geaardheid zich over het algemeen lastig vergelijken, omdat het bij uitstek om persoonlijke beleving en ervaringen gaat. De vergelijking gaat dus niet op.
Asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend
23. De Vw schrijft voor dat een vreemdeling zo spoedig mogelijk na binnenkomst zijn asielaanvraag moet indienen. Als hij dat niet doet en daarvoor geen goede reden heeft, dan kan dat betekenen dat de vreemdeling niet het voordeel van de twijfel wordt gegund voor wat betreft de geloofwaardigheid van het asielrelaas. [12]
24. Verweerder heeft op zich terecht opgemerkt dat eiseres op 5 december 2019 Nederland is ingereisd met een geldig paspoort en visum en dat zij pas op 22 december 2019 haar asielaanvraag heeft ingediend. Daarmee is echter niet gezegd dat eiseres haar lesbische geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt.

Conclusie en gevolgen

25. Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is reeds hierom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen omdat het in strijd is met het motiveringsbeginsel.
26. Aan de beoordeling van de geloofwaardigheid van het gestelde incident in [plaats] komt de rechtbank niet toe.
27. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
28. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 november 2024;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening
wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 16 juli 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitspraak bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Werkinstructie.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622.
5.Paragraaf C7/35.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Vreemdelingencirculaire 2000.
7.Verwezen is naar pagina 15 en 16 van het rapport nader gehoor.
8.Rapport nader gehoor, p. 15.
9.Rapport aanvullend gehoor, p. 14 tot en met 16.
12.Dit volgt uit artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw.