ECLI:NL:RBDHA:2025:12902

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
NL24.43947
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 KinderrechtenverdragArt. 6:22 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging

Eiseres, een minderjarige met de Ugandese nationaliteit, wilde bij haar pleegvader in Nederland verblijven en vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af, waarna eiseres bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen en dat de belangenafweging niet zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is, met name ten aanzien van het belang van het kind en de hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar nichtje.

De rechtbank constateert dat verweerder geen bewijs heeft geleverd van een feitelijke pleegrelatie tussen eiseres en haar pleegvader, maar dit onderdeel was niet in geschil. De belangenafweging van verweerder betrof ook onterecht de belangen van de pleegvader, wat volgens de rechtbank niet relevant is zonder gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Verder is onvoldoende gemotiveerd waarom de hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar nichtje niet zwaar wegen, terwijl het belang van het kind volgens het beleid van verweerder een eerste overweging moet zijn.

Daarnaast heeft verweerder het economische belang van de Nederlandse overheid te eenzijdig en onvoldoende gemotiveerd meegewogen, terwijl vaststaat dat de pleegvader voldoende inkomsten heeft en er een redelijke kans is dat eiseres snel kan gaan werken. De rechtbank vernietigt het besluit en geeft verweerder acht weken om een nieuw besluit te nemen met een juiste belangenafweging. Eiseres krijgt tevens vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege onvoldoende gemotiveerde belangenafweging; verweerder moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43947

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. J.C.A. Koen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het afwijzen van een voor eiseres ingediende aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres wil namelijk bij haar pleegvader in Nederland verblijven. Eiseres is het niet eens met die afwijzing, daarom heeft zij beroep ingesteld bij de rechtbank. Aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd beoordeelt de rechtbank het besluit van verweerder waarin is beslist dat eiseres geen mvv krijgt.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder geen juist besluit heeft genomen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voorgeschiedenis en procesverloop

2. Eiseres heeft de Ugandese nationaliteit en is geboren op [datum] 2003. Zij wil verblijven bij haar pleegvader [referent] (hierna: referent) in Nederland. Referent heeft daarom een aanvraag ingediend voor een mvv voor eiseres. Referent heeft tegelijkertijd ook een aanvraag ingediend voor zijn biologische dochter [dochter], die in Uganda verblijft samen met eiseres. Verweerder heeft de aanvraag voor [dochter] ingewilligd, maar de aanvraag voor eiseres met het besluit van 10 mei 2023 afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 16 augustus 2024 zijn referent en de gemachtigde van eiseres gehoord over het ingediende bezwaar.
3. In het bestreden besluit van 15 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Niet is aangetoond dat er een (feitelijke) pleegrelatie of gezinsband bestaat tussen eiseres en referent. Er is geen bewijs overgelegd waaruit een officieel vastgelegde pleegrelatie blijkt. Het ontbreken van een voogdijverklaring, het langdurig niet samenwonen, het niet bijdragen aan de dagelijkse opvoedings- en verzorgingstaken en het ontbreken van duidelijk bewijs over de financiële steun tijdens het verblijf van referent in Uganda maakt dat de feitelijke pleegrelatie niet is aangetoond. Daarnaast bestaan er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eiseres, waardoor er geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen hen als oom en nichtje in de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In het bestreden besluit is daarnaast overwogen dat er hechte persoonlijke banden bestaan tussen eiseres en [dochter]. Eiseres woont namelijk al sinds de geboorte van [dochter] met haar samen in Uganda. Verder is aannemelijk dat eiseres zich bekommert om de dagelijkse zorg- en opvoedingstaken voor [dochter]. Ondanks het bestaan van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiseres en [dochter], valt de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit.
4. Het door eiseres ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is op 4 juni 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft verweerder het bestreden besluit onbevoegd genomen?
5. Eiseres wijst erop dat het bestreden besluit is ondertekend namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, terwijl de staatssecretaris op dat moment niet bevoegd was om op de aanvraag te beslissen.
6. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat het bestreden besluit ten onrechte is ondertekend namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Vanaf 2 juli 2024 is de bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht namelijk gewijzigd van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de minister van Asiel en Migratie. [1] Dit is een gebrek. Dit gebrek kan gepasseerd worden, [2] omdat niet is gesteld of gebleken dat eiseres door de onjuiste ondertekening in haar belangen is geschaad. [3]
Waar moet de rechtbank een oordeel over geven?
7. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen beroepsgronden heeft gericht tegen de overweging van verweerder in het bestreden besluit dat niet aannemelijk is gemaakt dat er tussen referent en eiseres sprake is van een (feitelijke) pleegrelatie of gezinsband. Ook heeft eiseres geen beroepsgronden gericht tegen de overweging van verweerder dat er geen familie- of gezinsleven tussen hen bestaat, nu er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres dit bevestigd. Dit betekent dat dit niet in geschil is en de rechtbank geen uitspraak doet over dit onderdeel van het bestreden besluit.
8. Verweerder heeft in het bestreden besluit een belangenafweging gemaakt tussen het belang van eiseres en het belang van verweerder. Hierbij heeft hij ook de belangen van referent betrokken. Tijdens de zitting heeft verweerder toegelicht dat het deel van de belangenafweging dat ziet op de belangen van referent ten onrechte is opgenomen. Als niet in geschil is dat er geen familie- of gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, hoeft er namelijk geen belangenafweging gemaakt te worden. Gelet op rechtspraak van de hoogste bestuursrechter van Nederland [4] volgt de rechtbank dit standpunt. De rechtbank zal daarom het deel van de gemaakte belangenafweging dat ziet op de belangen van referent niet bij haar oordeel betrekken.
Mocht verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiseres laten uitvallen?
9. Verweerder heeft in het kader van de belangenafweging verder het volgende overwogen. Hoewel eiseres en [dochter] van elkaar gescheiden worden door het bestreden besluit, kan het contact tussen hen op afstand plaatsvinden. De aard en intensiteit van het gezinsleven, de binding met het land van herkomst, de beperkte binding met Nederland, het restrictieve toelatingsbeleid van Nederland en het economische belang wegen in het nadeel van eiseres. Het is allereerst niet geheel waarschijnlijk dat eiseres sinds de geboorte van [dochter] alle taken op zich heeft genomen, omdat eiseres pas 13 jaar oud was toen [dochter] werd geboren en zij met haar andere broers en zussen bij oma woonde. Daarnaast is de voortzetting van de hechte band tussen eiseres en [dochter] een onzekere toekomstige gebeurtenis, nu het niet ondenkbaar is dat eiseres een meer zelfstandig bestaan zal willen opbouwen gelet op haar leeftijd. Ook is er geen sprake van een voogdij- of omgangsregeling tussen eiseres en [dochter]. Eiseres heeft verder een sterke binding met Uganda, zij is daar geboren, ze spreekt de taal, kent de cultuur, is daar naar school gegaan en volgt daar een vervolgopleiding. Daarbij komt dat eiseres geen sterke banden met Nederland heeft. Tot slot zal eiseres voor langere tijd gebruik maken van de openbare kas en publieke voorzieningen wanneer zij in Nederland is. Niet wordt verwacht dat eiseres meteen kan gaan werken wanneer zij in Nederland is aangekomen, omdat ze eerst nog moet integreren en onderwijs moet volgen. In het voordeel van eiseres weegt mee dat zij geen gevaar is voor de openbare orde. Licht in het voordeel van eiseres weegt het belang van het kind mee. Erkend wordt dat het een verdrietige omstandigheid is dat eiseres en [dochter] worden gescheiden door het bestreden besluit, maar het belang van [dochter] om niet van eiseres gescheiden te raken is niet zo sterk dat dit van doorslaggevende betekenis is.
10. Eiseres voert aan dat de belangenafweging ten onrechte in haar nadeel is uitgevallen. Opgemerkt wordt dat [dochter] een mvv heeft verkregen, maar niet naar Nederland is gekomen omdat zij sterke banden heeft met eiseres. Referent wil die banden tussen hen ook niet verbreken. Daarnaast wijst eiseres op artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind waarin staat dat bij alle maatregelen die kinderen betreffen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Dat is in dit geval niet gebeurd. Ten onrechte zijn de gevolgen voor het welzijn van [dochter] niet betrokken bij de beoordeling. Het uitoefenen van familieleven op afstand is ook niet wenselijk. [5] Of sprake is van een officiële voogdijregeling tussen eiseres en [dochter] is voor de beoordeling van de gevolgen van het verbreken van de persoonlijke band tussen hen niet relevant. Het gaat immers om de feitelijke banden die volgens verweerder hecht zijn. Dat het niet ondenkbaar is dat eiseres een meer zelfstandig bestaan zal willen opbouwen is daarnaast een niet onderzochte vooronderstelling. Het is verder inconsistent dat verweerder eerst overweegt dat er hechte persoonlijke banden bestaan, om vervolgens te overwegen dat die door feiten en omstandigheden sterk worden afgezwakt. Nu referent niet kan terugkeren naar Uganda vanwege het bestaan van een objectieve belemmering en [dochter] naar Nederland mag komen, is het logisch dat eiseres [dochter] volgt. Voor wat betreft de binding met het land van herkomst is van belang dat eiseres nog jong en flexibel is. Daarbij komt dat uit de omstandigheid dat eiseres naar Nederland wil komen blijkt dat de band met Uganda niet zo sterk is. Eiseres zal tot slot geen gebruik hoeven maken van de openbare kas of publieke voorzieningen nu referent voldoende inkomsten heeft en een geschikte woonruimte.
11. De rechtbank overweegt dat het belang van het kind voorop moet staan als het gaat om het maken van een belangenafweging waar minderjarige kinderen bij betrokken zijn. [6] Volgens het beleid van verweerder vormt in iedere beslissing het belang van het kind een eerste overweging waaraan aanzienlijk gewicht toekomt. [7] Verweerder heeft in het bestreden besluit echter overwogen dat het belang van het kind slechts licht in het voordeel van eiseres meeweegt. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank afbreuk aan het aanzienlijke gewicht dat moet toekomen aan het belang van het kind.
12. Verweerder moet daarnaast in de belangenafweging een ‘fair balance’ maken en daarbij kenbaar alle belangen betrekken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aangenomen hechte persoonlijke banden tussen eiseres en [dochter] niet (sterk) in het voordeel van eiseres wegen, maar in haar nadeel. [8] Onduidelijk is hoe de overweging van verweerder dat hechte persoonlijke banden bestaan tussen eiseres en [dochter] omdat [dochter] al jaren tot het kerngezin behoort van eiseres en haar oma en aannemelijk is dat eiseres zich bekommert om de dagelijkse zorg- en opvoedingstaken van [dochter], zich verhoudt tot de overweging dat de aard en intensiteit van het gezinsleven tussen hen niet veel sterker is dan tussen andere (minderjarige) samenlevende familie- en gezinsleden. In dit verband heeft verweerder niet zonder meer kunnen overwegen dat de hechte persoonlijke banden sterk worden afgezwakt doordat eiseres het grootste gedeelte van het leven van [dochter] ook nog minderjarig was waardoor zij zelf de zorg en nabijheid van een volwassene nodig had en dat er geen sprake is van een officiële regeling tussen eiseres en [dochter] voor wat betreft de voogdij. In dit kader wordt verder niet gevolgd de niet nader onderbouwde vooronderstelling van verweerder dat het niet ondenkbaar is dat eiseres een meer zelfstandig bestaan zal willen opbouwen, wat de voortzetting van de hechte band tussen eiseres en [dochter] een onzekere toekomstige gebeurtenis maakt. Gelet hierop is niet voldoende gemotiveerd dat het belang van de minderjarige [dochter] om niet van eiseres gescheiden te raken niet zo sterk is dat deze van doorslaggevende betekenis is.
13. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder het economisch belang te eenzijdig heeft bekeken en dit belang van de Nederlandse overheid onvoldoende heeft gemotiveerd. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat het vooral gaat om een beroep op het socialezekerheidsstelsel, het onderwijssysteem en de gezondheidszorg. Vaststaat dat referent voldoende inkomsten heeft om de zorgverzekering en het dagelijkse levensonderhoud voor eiseres te betalen. Aan deze omstandigheid had verweerder naar het oordeel van de rechtbank meer gewicht moeten toekennen. Ook heeft verweerder ten onrechte geen gewicht toegekend aan de intentie van referent om eiseres samen met [dochter] in zijn huis te laten wonen. Onbestreden is gebleven dat er een redelijke kans bestaat dat eiseres in Nederland snel kan gaan werken. Tot slot staat vast dat eiseres hoe dan ook een beroep zal moeten doen op de openbare kas, omdat in Nederland nou eenmaal is gekozen voor een zorgstelsel waarbij iedereen verplicht is een verzekering af te sluiten. Dit is echter een omstandigheid waar eiseres niets aan kan doen, waardoor hier geen al te groot gewicht aan mag worden toegekend.
14. Gelet hierop heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse overheid zwaarder zouden wegen dan de belangen van eiseres.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond omdat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse overheid zwaarder zouden wegen dan de belangen van eiseres. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsvereiste. [9] Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de beoordeling van de andere gronden van beroep. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder een nieuwe belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM moet te maken. De rechtbank geeft verweerder een termijn van acht weken voor het nemen van een nieuw besluit. [10]
16. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 187 aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op €1.814, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). [11]

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit;
 bepaalt dat verweerder binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
 bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187 aan eiseres moet vergoeden;
 veroordeelt verweerder tot betaling van €1.814 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Besluit van 2 juli 2024 nr. 2024001705, houdende instelling van een Ministerie van Asiel en Migratie.
2.Met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
5.In dit verband wijst eiser op rechtspraak van de het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Marckx t. België, ECLI:CE:ECHR:1979:0613JUD000683374, Olsson t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:1988:0324JUD001046583 en Strand Lobben e.a. v. Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313).
6.Artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind.
7.Zoals is opgenomen in paragraaf 8 van Werkinstructie 2020/16.
8.Zie pagina 15 van het bestreden besluit.
9.Dit staat in artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
10.Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
11.De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld.