Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 2 september 2022. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten.
De minister moet volgens de Vreemdelingenwet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Omdat eiser tijdelijke bescherming geniet onder Richtlijn 2001/55/EG, geldt een afwijkende beslistermijn: de beslistermijn is opgeschort tot 4 maart 2025, waarna de minister zes maanden heeft om te beslissen.
Eiser heeft op 10 maart 2025 een ingebrekestelling ingediend, maar op dat moment was de wettelijke beslistermijn nog niet verstreken, waardoor de ingebrekestelling prematuur was. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet ontvankelijk is en de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.