Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Overwegingen
Zicht op uitzetting
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
De minister van Asiel en Migratie legde op 11 april 2025 aan eiser, van Spaanse nationaliteit, een maatregel van vreemdelingenbewaring op wegens risico op onttrekking aan toezicht. Eiser stelde dat de minister het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door hem niet de wettelijke vertrektermijn te gunnen na zijn vrijlating uit strafdetentie en dat de beschikking niet aan hem was uitgereikt.
De rechtbank oordeelde dat de minister zorgvuldig had gehandeld, de beschikking op 5 februari 2025 met tolk aan eiser was uitgereikt en dat de vertrektermijn niet werd opgeschort door detentie. Tevens was niet gebleken dat eiser na zijn vrijlating stappen had ondernomen om het land te verlaten. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalde.
Eiser voerde verder aan dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, omdat een geplande vlucht op 9 mei 2025 niet doorging door zijn verzet. De rechtbank stelde dat dit voor risico van eiser kwam en dat de minister een nieuwe aanvraag had ingediend. De ambtshalve toetsing leidde tot het oordeel dat de maatregel niet onrechtmatig was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.