ECLI:NL:RBDHA:2025:12932

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 mei 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
NL25.20341
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring en toekenning schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke zaak

Eiser, van Sri Lankaanse nationaliteit, werd op 30 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege risico op onttrekking aan toezicht en het belemmeren van uitzetting.

Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzettingsprocedure en dat er geen zicht op uitzetting bestond, mede omdat eerdere laissez passer aanvragen niet tot uitzetting hadden geleid.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld door binnen zes dagen na de bewaring een vertrekgesprek te voeren en een nieuwe laissez passer aanvraag in te dienen, ondanks weekend- en feestdagen. Tevens is vastgesteld dat er voldoende zicht op uitzetting bestaat, omdat eiser een eerdere vrijwillige vertrekmogelijkheid heeft geweigerd.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier T. Rommes op 16 mei 2025 en is openbaar bekendgemaakt.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.20341
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Stap),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.F. Menick, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw R. Veeragathy. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Sri Lankaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.

Voortvarend handelen

4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hij voert daartoe aan dat de minister pas op 6 mei 2025 een laissez passer (lp) bij de Sri Lankaanse autoriteiten heeft aangevraagd, terwijl eiser al op 30 april 2025 in bewaring is gesteld. Daarnaast is eiser een bekende bij de IND en had de minister de lp aanvraag sneller in moeten dienen.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op 6 mei 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en een lp aanvraag bij de Sri Lankaanse autoriteiten ingediend. De minister mag enige tijd worden gegund om de uitzetting van eiser te organiseren. Dat de minister binnen zes dagen een vertrekgesprek en lp aanvraag heeft gedaan is voldoende om tot het oordeel te komen dat de minister voldoende voortvarend handelt, zeker gezien het feit dat 3 en 4 mei 2025 in het weekend vielen en 5 mei 2025 een feestdag was. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op uitzetting

6. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht op uitzetting naar Sri Lanka aanwezig is. Eiser voert daartoe aan dat hij al meer dan tien jaar in Europa is en dat er al meerdere lp aanvragen voor eiser zijn gedaan die niet tot zijn uitzetting hebben geleid.
7. De rechtbank oordeelt dat er in eisers geval voldoende zicht op uitzetting naar Sri Lanka aanwezig is. Niet in geschil is dat voor eiser eerder een lp is verstrekt. De minister heeft toegelicht dat een eerdere vlucht in het kader van vrijwillig vertrek op 31 oktober 2023 door eiser is geweigerd. De minister heeft op 6 mei 2025 een nieuwe lp aanvraag bij de Sri Lankaanse autoriteiten ingediend. De rechtbank ziet hierin voldoende aanleiding om tot het oordeel te komen dat er zicht is op uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toets

8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van
de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 mei 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.