ECLI:NL:RBDHA:2025:12934

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
NL24.50672
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser diende op 20 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in, welke door de Minister van Asiel en Migratie op 11 december 2024 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens werd een terugkeerbesluit gericht op Kenia en later op Senegal opgelegd, met een inreisverbod van twee jaar. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten.

De rechtbank behandelde het beroep op 18 april 2025 en heropende het onderzoek meerdere malen om aanvullende informatie te verkrijgen, waaronder het invullen van een 'Applicant Consent Form' door eiser. Op 4 juni 2025 meldde verweerder dat eiser op 28 mei 2025 met onbekende bestemming uit de opvang was vertrokken en sindsdien niet meer bereikbaar was.

De gemachtigde van eiser bevestigde dat het contact met eiser was verbroken en dat uitnodigingen niet waren ontvangen. De rechtbank oordeelde dat eiser daardoor geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep, aangezien hij geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50672

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond.
2. Eiser heeft op 20 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend (asielaanvraag). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 december 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond en een terugkeerbesluit gericht op Kenia opgelegd. Ook heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. Verweerder heeft op 16 januari 2025 een aanvullend terugkeerbesluit gericht op Senegal opgelegd. Volgens verweerder kan eiser op een removal order terugkeren naar de luchthaven van Dakar in Senegal. Gelet op artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is het beroep van eiser van rechtswege ook gericht tegen het aanvullend terugkeerbesluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 18 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Y. Gababe als tolk en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
5. Op 18 april 2025 heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen om de gemachtigde van eiser in de gelegenheid te stellen met eiser te bespreken of hij een ‘Applicant Consent Form’ wil invullen en ondertekenen. Op 22 april 2025 heeft de gemachtigde van eiser te kennen gegeven dat eiser het ‘Applicant Consent Form’ heeft ingevuld en ondertekend en dat dit aan de Keniaanse autoriteiten is verstrekt. Op 29 april 2025 heeft de gemachtigde van verweerder een reactie hierop ingediend.
6. Nadat partijen hiertoe toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank het onderzoek op 7 mei 2025 gesloten.
7. Op 27 juni 2025 heeft de rechtbank besloten het onderzoek (wederom) te heropenen. Aanleiding hiervoor is het bericht van verweerder van 4 juni 2025, waarin verweerder te kennen heeft gegeven dat eiser vanaf 28 mei 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en het verweerder niet is gebleken dat eiser zich inmiddels weer heeft gemeld.
8. De gemachtigde van eiser heeft op 4 juli 2025 een reactie ingediend.
9. Nadat partijen hiertoe toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank het onderzoek op 10 juli 2025 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
10. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een beoordeling van het beroep.
11. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, mag een beroep dus niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland tenzij er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling daarop geen prijs meer stelt.
12. Verweerder heeft op 4 juni 2025 een systeemuitdraai overgelegd, waaruit blijkt dat eiser op 28 mei 2025 met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 4 juli 2025, desgevraagd, te kennen gegeven dat het contact met eiser is verbroken, dat een uitnodiging voor een bespreking eiser niet heeft bereikt omdat hij zou zijn vertrokken uit de opvang en dat geen telefonisch contact met eiser tot stand is gekomen.
13. Nu eiser zonder bericht met onbekende bestemming is vertrokken en de gemachtigde van eiser geen contact meer heeft met eiser, moet er vanuit worden gegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland gezochte bescherming. Eiser heeft dus geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit.

Conclusie

14. Het beroep moet op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de beroepsgronden. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.