Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 30 april 2025 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde dat zijn recht op rechtsbijstand was geschonden omdat zijn voorkeursadvocaat niet werd benaderd voorafgaand aan het gehoor, ondanks zijn duidelijke verzoek daartoe.
De minister stelde dat contact was opgenomen met een eerder bekende advocaat die de zaak had aangenomen, maar eiser maakte tijdens het gehoor duidelijk dat deze advocaat niet zijn advocaat was en dat hij een andere voorkeursadvocaat wenste. De rechtbank stelde vast dat de minister geen inspanningen had verricht om de door eiser genoemde voorkeursadvocaat op de hoogte te brengen, wat een schending van het recht op rechtsbijstand opleverde.
De rechtbank oordeelde dat deze schending een ernstig gebrek vormde waardoor de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van opleggen. Tevens werd een schadevergoeding van €1.400 toegekend voor de onrechtmatige vrijheidsontneming van 14 dagen. De minister werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.