Eiseres, van Letse nationaliteit, werd op 4 mei 2025 onderworpen aan een maatregel van vreemdelingenbewaring door de minister van Asiel en Migratie, omdat zij geen verblijfsrecht op grond van het unierecht had. Eiseres stelde dat zij onderweg was naar België voor werk en niet de intentie had in Nederland te blijven, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende gronden had voor de bewaring, waaronder het risico dat eiseres zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. De rechtbank verwierp het betoog dat een lichter middel had moeten worden toegepast, mede omdat eiseres na uitzetting opnieuw onder dezelfde omstandigheden in Nederland werd aangetroffen.
Ambtshalve toetsing leidde tot het oordeel dat de bewaring tot het moment van sluiting van het onderzoek rechtmatig was. De rechtbank stelde vast dat eiseres haar verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief had beëindigd, zoals vereist volgens het HvJEU-arrest C-719/19. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden daarom ongegrond verklaard.