ECLI:NL:RBDHA:2025:12940

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
NL25.20793
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart beroep gegrond tegen bewaring op grond van medewerkingsplicht vreemdelingenwet

Eisers, een Guinees gezin met vier minderjarige kinderen, werden op 6 mei 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelden dat zij voldeden aan hun medewerkingsplicht en dat de minister ten onrechte niet had volstaan met een lichter middel zoals vertrekgesprekken en meldplicht.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. De minister ging ten onrechte uit van een vertrekplicht terwijl eisers slechts een meewerkplicht hadden. Eisers waren steeds beschikbaar geweest en hadden medische zorg nodig. De rechtbank vond ook dat de minister onvoldoende had doorgevraagd op verklaringen van eisers die meewerkbereidheid toonden.

De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond, oordeelde dat de bewaring vanaf het moment van opleggen onrechtmatig was en kende een schadevergoeding toe van €4000,- voor acht dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten van eisers toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de maatregel bewaring en kent een schadevergoeding van €4000 toe.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.20793, NL25.20801, NL25.20800, NL25.20796 en NL25.20803

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] ,V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige 2] ,V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige 3] ,V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige 4] ,V-nummer: [V-nummer] , hierna gezamenlijk: eisers, (gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluiten van 6 mei 2025 (de bestreden besluiten) heeft de minister aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen F. den Hengst. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers stellen van Guinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989, [geboortedatum] 2015, [geboortedatum] 2018, [geboortedatum] 2021 en [geboortedatum] 2023.
2. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Lichter middel
3. Eisers voeren onder meer aan dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eisers stellen dat zij hebben voldaan aan hun medewerkingsplicht. Zo zijn zij altijd op de vertrekgesprekken verschenen, zijn zij altijd voor de IND beschikbaar geweest en zijn er contra-indicaties voor het risico dat eisers zich aan het toezicht zullen onttrekken. Zo hebben eisers medische zorg nodig en stellen eisers dat het risico op onderduiken er niet is, omdat het gezin bestaat uit een moeder en haar kleine kinderen.
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Onder het kopje ‘belangenafweging en conclusie’ in het bestreden besluit van eiseres staat dat eerder een lichter middel is toegepast, namelijk het voeren van vertrekgesprekken en de meldplicht, maar dat dit niet heeft geleid tot het vertrek van betrokkene. Verder staat er dat eiseres niet het overdrachtsbesluit heeft nageleefd, waaruit blijkt dat zij niet voornemens is uit eigen beweging terug te keren naar Frankrijk dan wel haar land van herkomst en dat zij niet aannemelijk maakt dat zij uit vrije wil alsnog zal vertrekken naar Frankrijk. Ten eerste overweegt de rechtbank dat de minister er kennelijk ten onrechte vanuit lijkt te gaan dat op eisers een vertrekplicht rust. Dat is niet het geval. Eisers hebben een meewerkplicht en geen vertrekplicht. De minister mocht hen dan ook niet tegenwerpen dat zij niet zelf zijn vertrokken. Op 27 maart 2025 is het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag ongegrond verklaard. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden welke actie van eisers verwacht had mogen worden in de periode gelegen tussen deze uitspraak en hun inbewaringstelling. Het voorbereiden van de overdracht is immers aan de minister. Eiseres met haar vier jonge minderjarige kinderen – van wie meerdere medische zorg (in het ziekenhuis) nodig hebben – hebben in deze periode steeds in het AZC verbleven. Verder heeft de minister op 10 maart 2025, dus nog voordat de rechtbank uitspraak had gedaan in de beroepsprocedure, voor het laatst een vertrekgesprek met eiseres gevoerd. Voor zover de minister stelt dat uit dit vertrekgesprek volgt dat eiseres niet voornemens is om mee te werken aan de overdracht, overweegt de rechtbank dat van eiseres ook niet verwacht kan worden dat zij zegt wel terug te keren naar Frankrijk terwijl het beroep tegen het overdrachtsbesluit nog loopt. Bovendien heeft eiseres tijdens het vertrekgesprek ook gezegd dat zij het eens is met de Nederlandse principes en niet tegen de wet is. Ook zegt eiseres in dit gesprek dat zij geen kracht zal hebben om te weigeren om mee te werken aan een overdracht aan Frankrijk als de rechtbank negatief beslist. Voor zover de minister verwijst naar de verklaring van eiseres in het gehoor voorafgaand aan de bewaring dat zij liever in Nederland wil blijven vanwege de ziekte van haar zoon, overweegt de rechtbank dat hier niet zonder meer uit kan worden afgeleid dat eiseres niet mee zal werken en zal onderduiken om overdracht te vermijden. Eiseres zegt immers ook dat zij niks tegen Frankrijk heeft en dat het een goed land is. Op deze verklaringen is tijdens het gehoor niet doorgevraagd, hetgeen in dit geval wel op de weg van de minister had gelegen. Onder het kopje ‘belangenafweging en conclusie’ is tevens overwogen dat eiseres niet aannemelijk maakt dat zij alsnog zal vertrekken naar Frankrijk waardoor de (eventuele) uiterste overdrachtsdatum verloren zal gaan. Zoals hiervoor reeds is overwogen hebben eisers geen vertrekplicht, maar een meewerkplicht, en heeft bovendien de minister op de zitting de zware grond 3m laten vallen nadat de gemachtigde van eisers onbestreden heeft gesteld dat de uiterste overdrachtsdatum volgens de maatregel 9 december 2025 is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit dan ook geen afdoende motivering waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Ten slotte vindt de rechtbank van belang dat, zoals ook uit paragraaf A5/2.4 van de Vreemdelingencirculaire volgt, een versterkte mate van terughoudendheid is vereist bij vrijheidsontneming van gezinnen met minderjarigen, hetgeen, gelet op wat hiervoor is overwogen, reden te minder was om dit zwaarste middel in dit geval toe te passen.
5. De beroepen zijn reeds hierom gegrond en de maatregelen van bewaring waren vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Wat overigens is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.
Conclusie
6. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 8 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 800,- per gezinslid. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 4000,-.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 4000,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 mei 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.