Eisers, een Guinees gezin met vier minderjarige kinderen, werden op 6 mei 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelden dat zij voldeden aan hun medewerkingsplicht en dat de minister ten onrechte niet had volstaan met een lichter middel zoals vertrekgesprekken en meldplicht.
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. De minister ging ten onrechte uit van een vertrekplicht terwijl eisers slechts een meewerkplicht hadden. Eisers waren steeds beschikbaar geweest en hadden medische zorg nodig. De rechtbank vond ook dat de minister onvoldoende had doorgevraagd op verklaringen van eisers die meewerkbereidheid toonden.
De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond, oordeelde dat de bewaring vanaf het moment van opleggen onrechtmatig was en kende een schadevergoeding toe van €4000,- voor acht dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten van eisers toegewezen.