ECLI:NL:RBDHA:2025:12987

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
NL23.24999
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Vreemdelingenwet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ingangsdatum verblijfsvergunning asiel bepaald op moment kenbaarmaking asielwens

In deze bestuursrechtelijke zaak tegen de Minister van Asiel en Migratie betwist eiser de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning asiel. De minister had deze vastgesteld op 27 augustus 2022, terwijl eiser stelt dat de juiste datum 2 augustus 2022 is, het moment waarop hij zijn asielwens persoonlijk kenbaar maakte.

De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van een prejudiciële uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die op 20 januari 2025 oordeelde dat de ingangsdatum van een verblijfsvergunning asiel wordt bepaald door het moment van persoonlijke kenbaarmaking van de asielwens aan de autoriteiten.

Partijen zijn het inmiddels eens over de juiste ingangsdatum. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de verkeerde ingangsdatum bevat en stelt de ingangsdatum vast op 2 augustus 2022. Tevens wordt eiser een proceskostenvergoeding van €907 toegekend vanwege de gegrondheid van het beroep.

Uitkomst: De rechtbank stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast op 2 augustus 2022 en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.24999
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.A. Krikke),

en

de Minister van Asiel en Migratie1, (gemachtigde: S. Vreugdenhil-Brock).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 22 augustus 2023 (het bestreden besluit). In het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van 27 augustus 2022.
1.1.
Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van het antwoord op de prejudiciële vragen gesteld bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 19 oktober 2023.2
1.3.
In de uitspraak van 20 januari 20253 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geoordeeld dat artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet zo moet worden uitgelegd dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel wordt bepaald door het moment dat een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten zijn asielwens kenbaar maakt.
1.4.
Partijen hebben een standpunt ingenomen over de gevolgen van laatstgenoemde uitspraak voor de zaak van eiser en hebben toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen op het beroep. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
1. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de minister in het bestreden besluit de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ten onrechte heeft vastgesteld op 27 augustus 2022. Partijen zijn het erover eens dat de juiste ingangsdatum 2 augustus 2022 is.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is vastgesteld op 27 augustus 2022. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de ingangsdatum vast te stellen op 2 augustus 2022.
4. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen reden om wegingsfactor 0,25 toe te passen, zoals de minister heeft verzocht. De rechtbank acht het geschilpunt namelijk niet zeer licht van aard. Dit blijkt alleen al uit de omstandigheid dat hierover prejudiciële vragen zijn gesteld.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is vastgesteld op 27 augustus 2022;
  • stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vast op 2 augustus 2022;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 mei 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.