De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser, een vreemdeling van Turkse nationaliteit, op 28 juni 2025 een maatregel van bewaring op op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 7 juli 2025.
Eiser betwistte enkele zware gronden waarop de maatregel was gebaseerd, zoals het feit dat hij tijdens strafdetentie niet vrijwillig kon vertrekken en dat hij niet kon meewerken aan het vaststellen van zijn identiteit. Daarnaast voerde hij aan dat de minister ten onrechte geen lichter middel toepaste, omdat hij zijn asielaanvraag in vrijheid wilde afwachten.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet volstond vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. De betwiste zware gronden werden als feitelijk juist beoordeeld. De ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.