Overwegingen
1. Eiseres stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1983].
2. Eiseres stelt dat sprake is van schending van het verdedigingsbeginsel nu ten onrechte niet is gebleken dat op enige wijze en op enig moment contact is opgenomen met haar voorkeursadvocaat. Deze advocaat had informatie over het hoger beroep van eiseres kunnen doorgeven om rekening mee te houden.
3. De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de bewaring van 6 mei 2025 volgt dat op 6 mei 2025 om 07.21 uur de piketcentrale per e-mail is bericht van het op handen zijnde gehoor en dat om 07.22 uur een afschrift van de piketmelding per e-mail is doorgestuurd aan mr. [A], waarna de piketcentrale om 07.52 uur het bericht ontving dat de piketmelding
was geaccepteerd door mr. Drenth, die vervolgens ook bij het gehoor aanwezig is geweest. Dat er geen contact zou zijn opgenomen met mr. [A] volgt de rechtbank dan ook niet. Uit het proces-verbaal volgt verder dat tijdens het gehoor bekend is dat eiseres een hoger beroepsprocedure aanhangig heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Eiseres is er tijdens het gehoor (als ook in de vertrekgesprekken van 22 en 30 april 2025) ook op gewezen dat zij het recht heeft om hoger beroep in te dienen, maar dat het indienen van hoger beroep geen schorsende werking heeft. Dat sprake zou zijn van een schending van het verdedigingsbeginsel volgt de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Identiteitsvaststelling
4. Eiseres stelt dat geen identiteitsvaststelling is aangekruist, waardoor de grondslag dat die identiteit zou zijn vastgesteld niet correct is.
5. De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Eiseres heeft er terecht op gewezen dat in het Model M105 niet is aangegeven op welke wijze haar identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie is vastgesteld. De rechtbank is echter van oordeel dat de ernst van dit gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de bewaring gediend zijn. Eiseres heeft namelijk niet aangegeven op welke wijze zij door het gebrek in haar belangen is geschaad. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat in het Model M105 is vermeld dat eiseres voorafgaande aan de staandehouding is gevraagd of zij [eiseres], [eiseres], geboren [1983], was en dat eiseres hierop met een duidelijke ‘ja’ antwoordde en dat tevens is vermeld dat eiseres werd herkend aan de hand van een foto uit de infoset van DT&V.
Machtiging tot binnentreden
6. Eiseres stelt dat het de vraag is of de machtiging tot binnentreden wel op tijd is afgegeven, aangezien de staandehouding op 6 mei 2025 om 07.10 uur was en de machtiging tot binnentreden ook van 6 mei 2025 is. Voorts stelt eiseres dat de handtekening ten onrechte niet is aangetroffen en niet kan worden geverifieerd. De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Na heropening van het onderzoek ter zitting heeft de minister op verzoek van de rechtbank op 13 mei 2025 de machtiging tot binnentreden inclusief de te valideren elektronische handtekening in het digitale dossier geüpload. De gemachtigde van eiseres heeft daarop te kennen gegeven deze beroepsgrond in te trekken. Aan een beoordeling daarvan komt de rechtbank dan ook niet toe.
7. Eiseres stelt dat niet waarschijnlijk is en dat wordt betwist dat de (hulp)officier van justitie een machtiging tot binnentreden zou hebben afgegeven indien hij wetenschap had van het gegeven dat eiseres een procedure had lopen over het verblijf. De rechtbank overweegt dat de enkele stellingen van eiseres ter zake niet kunnen slagen. Daarbij betrekt de rechtbank eveneens dat het hoger beroep van eiseres in de asielprocedure geen schorsende werking heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Staandehouding
8. Eiseres stelt dat in het proces-verbaal omtrent het binnentreden is vermeld dat eiseres op 6 mei 2025 om 06.11 uur werd medegedeeld dat zij was staande gehouden en dat dit niet overeenkomt met het tijdstip van 07.10 uur, zoals is vermeld in het Model M105.
9. De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Gelet op het geschetste tijdsverloop in het Model M105 en het verder geschetste tijdsverloop in het proces-verbaal omtrent het
binnentreden is de rechtbank met de minister van oordeel dat het vermelde tijdstip van 06.11 uur een kennelijke verschrijving betreft en dat uit moet worden gegaan van een staandehouding om 07.11 uur. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Eiseres voert aan dat de maatregel in strijd is met het verdedigingsbeginsel, nu ten onrechte is gehoord in een busje op het terrein van DTC Zeist. Dit was geen geschikte ruimte, het was klein, bedompt en lawaaierig. Er is volgens eiseres niet gebleken dat een busje een rechtsgeldige hoorlocatie kan zijn.
11. De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover eiseres stelt dat een busje geen rechtsgeldige hoorlocatie kan zijn, heeft eiseres niet duidelijk gemaakt hoe zij ter zake in haar belangen is geschaad. Eiseres is gehoord in het bijzijn van haar gemachtigde. Dat eiseres niet (alles) kon verklaren als gevolg van de hoorlocatie volgt niet uit het proces- verbaal voorafgaand aan de bewaring en is ook niet door eiseres gesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
12. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
13. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829) dat voor het opleggen van (onder meer) de zware gronden 3b, 3c en 3i enkel is vereist dat die gronden feitelijk juist zijn, en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. 13. Ten aanzien van de zware grond 3b stelt de rechtbank vast dat de minister de feitelijke juistheid van deze grond voldoende heeft toegelicht. Uit die toelichting blijkt dat eiseres naar eigen zeggen op 21 december 2024 in Nederland is aangekomen en zich op 30 december 2024 heeft gemeld voor het aanvragen van asiel. Dat uit het medisch dossier van eiseres volgt dat zij de dag ná de asielaanvraag kampte met medische problemen maakt niet dat deze grond niet feitelijk juist is of dat de minister deze grond niet aan haar mag tegenwerpen. De overgelegde informatie zegt immers iets over de medische gesteldheid van
eiseres ná de asielaanvraag en niet ten tijde van haar aankomst in Nederland. De toelichting van eiseres doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af.
15. Ten aanzien van de zware grond 3c is de rechtbank van oordeel dat de minister de feitelijke juistheid van deze grond voldoende heeft toegelicht. Uit deze toelichting volgt dat op 16 januari 2025 een meeromvattend besluit is genomen, welk besluit tevens geldt als terugkeerbesluit en inreisverbod. Bij uitspraken van 4 april 2025 heeft de rechtbank het beroep van eiseres hiertegen ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres afgewezen. Eiseres heeft niet aan de terugkeerverplichting zoals genoemd in voormeld besluit voldaan. Daarbij overweegt de rechtbank dat het door eiseres ingestelde hoger beroep geen schorsende werking heeft. De toelichting van eiseres doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af.
15. Ten aanzien van de zware grond 3i is de rechtbank ook van oordeel dat de minister de feitelijke juistheid van deze grond voldoende heeft toegelicht. In het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft eiseres uitdrukkelijk verklaard niet te kunnen terugkeren. Ook tijdens het vertrekgesprek van 22 april 2025, en dus ná de uitspraken van de rechtbank van 4 april 2025 waarin het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag ongegrond is verklaard en het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening is afgewezen, heeft eiseres verklaard dat zij niet vrijwillig terug zal keren. Ook in het vertrekgesprek van 30 april 2025 heeft eiseres verklaard dat zij echt niet terug zal gaan en niet zal meewerken aan een vertrek. Dat de verklaringen van eiseres moeten worden opgevat als het ventileren van het recht dat eiseres het niet eens is met het besluit tot terugkeer en dat dit maakt dat zij niet mee zou willen werken aan haar terugkeer, volgt de rechtbank dan ook niet. De toelichting van eiseres doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af.
15. De zware gronden 3b, 3c en 3i zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiseres over de overige gronden heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking meer.
Lichter middel en belangenafweging
18. Eiseres stelt dat de maatregel onevenredig is en dat voor een lichter middel gekozen had kunnen en moeten worden, nu er onvoldoende gronden van de maatregel overblijven om als feitelijk juist en als voldoende zwaarwegend te gelden. De maatregel is volgens eiseres in strijd met het evenredigheidsbeginsel en niet proportioneel. In de maatregel is benadrukt dat eiseres niet naar een VBL zou willen gaan, terwijl eiseres in het gehoor heeft verklaard overal aan mee te zullen werken, dus ook aan plaatsing in een VBL. Het is niet gebleken dat eiseres is uitgelegd dat zij bij een dergelijke plaatsing nog altijd het recht heeft op haar hoger beroep en ook op een toetsing in dat hoger beroep indien het tijdens die procedure tot een vlucht zou komen. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat het terugkeerbesluit nog niet in rechte vaststaat, nu hoger beroep nog loopt bij de Afdeling. Ook heeft eiseres een voorlopige voorziening aangevraagd. Dit, in combinatie met de medische omstandigheden van eiseres, maakt de maatregel onzorgvuldig en in strijd met de evenredigheid en schrijnendheid.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister genoegzaam gemotiveerd dat en waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan en ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. De minister heeft bij deze beoordeling, onder meer, terecht betrokken dat eiseres geen gevolg heeft gegeven aan haar verplichting tot terugkeer en dat eiseres in de
vertrekgesprekken (na de uitspraak van de rechtbank) en in het gehoor voorafgaand aan de bewaring meerdere keren heeft verklaard niet terug te willen/kunnen keren. In de vertrekgesprekken (na de uitspraak van de rechtbank) heeft eiseres ook duidelijk verklaard niet naar een VBL te zullen gaan. Dat eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft verklaard dat zij aan alles zal meewerken en dat de gemachtigde ter zitting heeft gesteld dat de kwetsbare achtergrond van eiseres een contra-indicatie voor een risico op onderduiken zou zijn, maakt gelet op het voorgaande niet dat de minister daarom met een lichter middel had moeten volstaan. Na de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit op de asielaanvraag en de afwijzing van de voorlopige voorziening van 4 april 2025 rust op eiseres een vertrekplicht en is op dit moment geen sprake van een schorsende werking van het door haar ingestelde hoger beroep. Er is sprake van een terugkeerbesluit waar eiseres tot op heden geen gevolg aan heeft gegeven. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiseres heeft de minister in de maatregel afdoende gemotiveerd dat de medische omstandigheden van eiseres geen aanleiding vormen om af te zien van het opleggen van de maatregel van bewaring. De minister heeft er daarbij terecht op gewezen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Daarbij heeft de minister er ook op gewezen dat op de Gesloten Gezinsvoorziening Zeist een medische dienst en psychologen aanwezig zijn waar eiseres een intake krijgt, en waar nodig, medische behandeling en/of medicatie verstrekt krijgt en dat als de zorg niet voldoende kan worden gegeven, eiseres zal worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. De medische klachten van eiseres, waaronder klachten als gevolg van de geboorte van haar tijdens de zwangerschap overleden zoontje in maart 2025, vormen naar het oordeel van de rechtbank dan ook – hoe droevig ook – geen reden om de detentie onevenredig bezwarend te achten en een lichter middel toe te passen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de psychische klachten van eiseres in combinatie met het gegeven dat haar hoger beroepsprocedure nog loopt evenmin reden voor het oordeel dat de bewaring schrijnend, onzorgvuldig en onevenredig zou zijn. Hetgeen overigens door eiseres in dit kader is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
20. Eiseres stelt ten slotte dat de minister onvoldoende voortvarend handelt omdat niet is gebleken van een tijdige lp-aanvraag.
21. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft toegelicht dat Bureau Documenten op 7 mei 2025 heeft aangegeven dat er een identiteitsbewijs in beheer is van eiseres en dat deze wordt verzonden ten behoeve van de terugkeer. Op 8 mei 2025 is het identiteitsbewijs in ontvangst genomen door DT&V. Op 9 mei 2025 is de lp-aanvraag doorgezet. Gelet op deze toelichting volgt de rechtbank niet dat ter zake sprake zou zijn van onvoldoende voortvarend handelen van de minister.
Ambtshalve toets
22. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
23. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
23. Als gevolg van het in rechtsoverweging 5 geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).