ECLI:NL:RBDHA:2025:1310
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlenging overdrachtstermijn Dublinprocedure
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de overdrachtstermijn voor zijn overdracht aan Duitsland te verlengen tot achttien maanden. Dit besluit volgde op het feit dat verzoeker zich niet aan de meldplicht hield en niet aanwezig was op de COa-locatie, wat verweerder als onderduiken kwalificeerde.
Verzoeker betoogde dat hij slechts één keer niet aan de meldplicht voldeed vanwege ziekte en verblijf bij familie, en dat hij hierover het COa had geïnformeerd. Ook stelde hij dat hij onvoldoende was geïnformeerd over zijn verplichtingen en de gevolgen van niet-naleving.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder terecht mocht aannemen dat verzoeker de bedoeling had onder te duiken, aangezien verzoeker en zijn gemachtigde op tijd waren geïnformeerd over de overdracht, verzoeker niet aanwezig was bij de meldplicht en zijn afmelding onvoldoende was onderbouwd. Tevens was verzoeker bij zijn asielaanvraag op de hoogte gesteld van zijn meldplicht.
Gezien het spoedeisend belang en het voorlopige karakter van de voorziening concludeerde de voorzieningenrechter dat het beroep van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verlenging van de overdrachtstermijn wordt afgewezen.