ECLI:NL:RBDHA:2025:13290
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard beroep tegen bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De minister van Asiel en Migratie legde op 12 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 1 juli 2025 via een beeldverbinding.
Eiser voerde aan dat de grondslag van de maatregel gewijzigd had moeten worden omdat hij zijn asielaanvraag op 27 juni 2025 zou hebben ingetrokken, wat niet binnen 48 uur was verwerkt. De rechtbank oordeelde echter dat eiser zijn asielaanvraag niet daadwerkelijk had ingetrokken, mede omdat hij dit tijdens de zitting bevestigde.
Daarnaast stelde eiser dat hij niet op grond van artikel 50a Vw 2000 staandegehouden en opgehouden had mogen worden omdat geen Dublinsituatie van toepassing was. De rechtbank stelde vast dat eiser rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8 Vw Pro 2000 en dat de minister bevoegd was om hem staande te houden in het kader van de voorbereiding van de inbewaringstelling.
Eiser betoogde ook dat artikel 104 Vw Pro 2000 was geschonden omdat een inspecteur tijdens een telefoongesprek tussen eiser en zijn gemachtigde aanwezig was. De rechtbank concludeerde dat de gemachtigde toestemming had gegeven voor de aanwezigheid van de inspecteur, zodat geen schending van artikel 104 was Pro.
De rechtbank vond geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.