ECLI:NL:RBDHA:2025:13347

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
NL25.29196
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting minderjarige in vreemdelingenzaak

Verzoeker en zijn gezinsleden hebben een aanvraag tot verlening van verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door verweerder zijn afgewezen. Tegen deze besluiten is bezwaar gemaakt, dat door verweerder ongegrond is verklaard. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter constateert dat eerdere voorlopige voorzieningen reeds aan verzoeker, zijn partner en een van de minderjarige kinderen zijn toegekend, maar dat de minderjarige dochter nog niet onder deze bescherming valt. Verweerder heeft laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening voor deze minderjarige.

Gelet hierop wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe, waardoor de minderjarige dochter niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De minderjarige dochter mag niet worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29196

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer 1] , verzoeker

mede voor zijn partner
[partner], V-nummer: [v-nummer 2] ,
en voor zijn minderjarige kinderen
[minderjarige 1], V-nummer: [v-nummer 3] , en
[minderjarige 2], V-nummer: [v-nummer 4]
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.A. Haas).

Procesverloop

Met het besluit van 27 september 2023 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ afgewezen.
Met besluiten van dezelfde datum heeft verweerder de aanvragen van [partner] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot verlening van verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [verzoeker] ’ afgewezen.
Met het besluit van 4 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker en zijn gezinsleden tegen de besluiten van 27 september 2023 ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 21 juli 2025 per brief laten weten dat hij zich niet langer verzet tegen toewijzing van het verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] , de minderjarige dochter van verzoeker.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Verzoeker wijst erop dat bij uitspraak van 24 april 2025 (202500809/2/V2) de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij wijze van voorlopige voorziening heeft bepaald dat verzoeker niet mag worden uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 28 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9505, bepaald dat een nieuwe sticker met een verblijfsaantekening, met daarin de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid wel toegestaan’, aan verzoeker wordt verstrekt, die geldig is totdat op het hoger beroep tegen de uitspraak van 10 januari 2025 (NL23.17206) is beslist. Die uitspraken zien echter alleen op verzoeker, [partner] en [minderjarige 1] . Met het onderhavige verzoek wordt beoogd dat ook [minderjarige 2] rechtmatig verblijf verkrijgt hangende het beroep tegen het bestreden besluit.
2. Verweerder heeft bij brief van 21 juli 2025 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.
3. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe. Dat betekent dat [minderjarige 2] niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe, in die zin dat [minderjarige 2] niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Groeneveld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.