ECLI:NL:RBDHA:2025:13374
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 26 mei 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder op 13 juni 2025 geoordeeld dat deze maatregel tot dat moment rechtmatig was. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank toetste of het voortduren van de maatregel sinds 10 juni 2025 rechtmatig was. Eiser voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede vanwege vertraging bij de verstrekking van een laissez-passer door de Roemeense autoriteiten. De rechtbank oordeelde dat ondanks vertragingen, er wel degelijk zicht was op uitzetting, aangezien de nationaliteit van eiser was bevestigd en een vlucht gepland stond op 17 juli 2025.
Daarnaast stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend was in het uitzettingsproces. De rechtbank stelde vast dat de minister herhaaldelijk contact had gehad met de Roemeense vertegenwoordiging, documenten had aangeleverd en direct na bevestiging van nationaliteit een vlucht had aangevraagd. De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend handelde.
Gelet op deze bevindingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De maatregel van bewaring blijft daarmee in stand. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.