Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2025 in de zaak tussen
Hoogvliet B.V., uit Bleiswijk, eiseres (hierna ook: Hoogvliet)
[werkneemster]uit Den Haag (werkneemster).
Rechtbank Den Haag
Werkneemster was sinds oktober 2019 in dienst bij Hoogvliet B.V. en meldde zich in december 2020 ziek. Na een WIA-aanvraag legde het UWV een loonsanctie op aan Hoogvliet wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. De rechtbank beoordeelde het beroep van Hoogvliet tegen deze sanctie.
De rechtbank stelde vast dat Hoogvliet gedurende het eerste ziektejaar vrijwel geen concrete re-integratieactiviteiten heeft ondernomen en pas na ruim anderhalf jaar een plan van aanpak opstelde, dat bovendien niet met de werkneemster werd besproken. De werkgever wachtte te lang op 'groen licht' van de bedrijfsarts en ondernam geen systematisch onderzoek naar passende functies binnen het eigen bedrijf. Het tweede spoor werd te laat ingezet en er was geen sprake van structurele werkhervatting.
Hoogvliet voerde aan dat er sprake was van een onduidelijke medische situatie en dat de werkneemster activiteiten verrichtte in het kader van haar behandeling, maar de rechtbank oordeelde dat dit geen deugdelijke grond vormde om re-integratie-inspanningen achterwege te laten. De loonsanctie werd daarom terecht opgelegd.
Het beroep van Hoogvliet werd ongegrond verklaard. De werkgever kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door rechter D.R. van der Meer op 3 juli 2025.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de loonsanctie tegen Hoogvliet wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen en verklaart het beroep ongegrond.