ECLI:NL:CRVB:2020:2726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Appellante, werkgever van een preventieassistente die sinds september 2015 wegens zwangerschap gerelateerde klachten uitviel, kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. De werkneemster was beperkt belastbaar en had benutbare arbeidsmogelijkheden vanaf augustus 2017.
Het geschil betrof onder meer de vraag of het UWV de loonsanctie tijdig had opgelegd en of appellante terecht werd verweten dat zij geen tweede spoor re-integratieactiviteiten had ondernomen. De werkgever stelde dat de loonsanctie te laat was opgelegd en dat de werkneemster slechts marginaal belastbaar was, waardoor re-integratie niet mogelijk was.
De Raad oordeelde dat de wachttijd van 104 weken juist was aangevangen op 21 april 2016, na de WAZO-periode, en dat de loonsanctie tijdig was genomen. Verder concludeerde de Raad dat ondanks de beperkte belastbaarheid, er benutbare arbeidsmogelijkheden waren en dat appellante tekort was geschoten door geen tweede spoor re-integratie te starten. Het volgen van het advies van de bedrijfsarts bood geen deugdelijke grond om geen re-integratie-inspanningen te verrichten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De loonsanctie tegen appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.