4.1.De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van aanhouding van 3 juli 2025 blijkt dat eiser is aangehouden in een strafrechtelijk kaderen er geen sprake is van een vreemdelingrechtelijke staandehouding. Het strafrechtelijk voortraject ligt in onderhavige procedure niet ter toetsing voor. Voor een oordeel over de rechtmatigheid van de strafrechtelijke aanhouding dient eiser zich te wenden tot een daartoe bevoegde rechter.
5. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de b-grond van artikel 59b van de Vw is opgelegd. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht
- door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb opgenomen lichte en zware gronden - ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen.Eiser heeft dit niet betwist.
6. Eiser heeft de zware en lichte gronden niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen en onvoldoende zouden zijn om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. De enkele stelling van eiser dat hij zich niet langer aan het toezicht zal onttrekken, maakt dat niet anders. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Bij de beoordeling van het lichter middel heeft de minister ook de medische omstandigheden van eiser betrokken door te overwegen dat medische zorg in het detentiecentrum beschikbaar is.
8. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijk termijn in bewaring wordt gehouden.De rechtbank stelt vast dat op 11 juli 2025 een gehoor opvolgende aanvraag met eiser heeft plaatsgevonden. Daarnaast is op 17 juli 2025 een voornemen uitgebracht om de asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
9. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.