ECLI:NL:RBDHA:2025:13514

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2025
Publicatiedatum
24 juli 2025
Zaaknummer
NL25.24824
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000Art. 5 EVRMArt. 6 Handvest van de Europese UnieArt. 7 Handvest van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie heeft op 8 april 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft een onderzoek ter zitting achterwege gelaten en beoordeelde uitsluitend de rechtmatigheid van de voortzetting van de maatregel na het sluiten van het eerdere onderzoek op 29 april 2025.

Eiser stelde dat er geen redelijk zicht is op uitzetting naar Marokko, omdat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de laissez-passer aanvraag en er geen presentatie is gepland. De rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende is om te concluderen dat het zicht op uitzetting ontbreekt, aangezien de autoriteiten niet hebben uitgesloten dat een laissez-passer wordt afgegeven.

Daarnaast voerde eiser aan dat de maatregel niet langer proportioneel is, mede vanwege zijn gezinssituatie in Spanje. De rechtbank stelde dat gedurende de eerste zes maanden van bewaring het gewicht van de belangen van de minister prevaleert, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Omdat eiser geen nieuwe feiten of argumenten aanvoerde, bleef het eerdere oordeel over de gezinssituatie ongewijzigd en was er geen aanleiding om de maatregel op te heffen.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig is en dat de belangenafweging evenwichtig is gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24824

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

De minister heeft op 8 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft op 10 juni 2025 bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1.
Uit de uitspraak van 2 mei 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. [1] Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 29 april 2025) onrechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
2. Eiser betoogt dat ondanks de twee rappels in mei en de vertrekgesprekken tot nu toe, er geen zicht is op een presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten en ook niet op een verstrekking van een laissez-passer. Gelet op voorgaande kan aangenomen worden dat geen redelijk zicht op uitzetting bestaat en de maatregel daarmee in strijd is met artikel 5 van Pro het EVRM en 6 van het Handvest van de Europese Unie (Handvest).
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [2] Vast staat dat voor eiser op 17 april 2025 een laissez passer-aanvraag is verzonden en op 21 mei 2025 voor het laatst op deze aanvraag is gerappelleerd. Dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de laissez passer-aanvraag en dat nog geen presentatie is gepland is onvoldoende voor de conclusie dat het zicht op uitzetting in het geval van eiser ontbreekt. De Marokkaanse autoriteiten hebben immers niet te kennen gegeven dat voor eiser geen laissez-passer zal worden afgegeven en dat een presentatie in het geval van eiser wel of niet nodig is. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom het feit dat op dit moment nog geen laissez-passer is afgegeven en nog geen presentatie is gepland betekent dat het zicht op uitzetting in het geval van eiser ontbreekt en dat de hierboven genoemde situatie maakt dat de maatregel van eiser in strijd is met de artikelen 5 van het EVRM en 6 van het Handvest oplevert.
Heeft de minister een evenredige belangenafweging gemaakt?
3. Eiser verwijst naar de omstandigheden die hij in onderdeel 2 heeft uiteengezet en betoogt dat voortduring van de maatregel van eiser in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en de artikelen 5 van het EVRM en 6 van het Handvest. Hierdoor is de maatregel niet langer proportioneel. Hierbij is volgens eiser met name van belang dat op grond van artikel 8 van Pro het EVRM en artikel 7 van Pro het Handvest de situatie met zijn vrouw in Spanje een rol speelt. Onder de gegeven omstandigheden kan er worden geconcludeerd dat het belang van de minister om de maatregel voort te zetten niet langer opweegt tegen de gegeven en persoonlijke belangen van eiser om in vrijheid te worden gesteld en om aan eiser alsnog een lichter middel op te leggen.
3.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister.
3.2.
De rechtbank stelt voorop dat in de uitspraak van 2 mei 2025 al een oordeel is gegeven over de gezinssituatie van eiser. [3] Eiser heeft met betrekking tot dit standpunt geen nieuwe argumenten of stukken aangevoerd waardoor de rechtbank hier nu anders over zou moeten oordelen, waardoor de maatregel nu wel in strijd zou zijn met de artikelen 5 van het EVRM en 6 van het Handvest. Verder zijn er door eiser geen andere bijzondere omstandigheden – zoals genoemd onder 3.1. – op grond waarvan de minister de maatregel had moeten opheffen op grond van een belangenafweging.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb Den Haag (zp Arnhem) 2 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7659.
2.ABRvS, 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS, 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033 en 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
3.Rb Den Haag (zp Arnhem) 2 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7659, r.o. 2.1.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.