ECLI:NL:RBDHA:2025:7659

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
NL25.17859
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 50 Vw 2000Art. 8 EVRMArt. 5 EVRMArt. 94 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep tegen wijze van tenuitvoerlegging maatregel van bewaring vreemdeling

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling betoogde onder meer dat hij onterecht op grond van artikel 50, tweede lid, Vw 2000 was opgehouden, dat een lichter middel had moeten worden toegepast, dat de minister onvoldoende voortvarend was geweest bij zijn uitzetting en dat hij langer dan 24 uur in een politiecel had verbleven.

De rechtbank oordeelde dat de ophouding op de juiste wettelijke grondslag had plaatsgevonden en dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast, mede gelet op het onttrekkingsrisico en het niet meewerken van eiser aan terugkeer naar Marokko. Wel stelde de rechtbank vast dat de minister zijn inspanningsverplichting voor uitzetting had geschonden, maar dat dit niet tot vernietiging van de maatregel leidde vanwege het ernstige onttrekkingsrisico.

De rechtbank constateerde dat eiser 3 uur en 39 minuten langer dan de toegestane 24 uur in een politiecel verbleef na oplegging van de maatregel. Dit leidde tot een recht op schadeloosstelling van €30,00, conform vaste jurisprudentie. Het beroep werd daarom gegrond verklaard voor zover het de wijze van tenuitvoerlegging betrof, en ongegrond voor het overige. De minister werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard voor de wijze van tenuitvoerlegging, met een schadeloosstelling van €30,00 en proceskostenvergoeding aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17859

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2025, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Is eiser op een juiste grondslag opgehouden?
1. Eiser voert aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Hij is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000, maar dit had artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 moeten zijn. Eiser is namelijk direct na zijn strafrechtelijke detentie overgenomen en opgehouden. De identiteitsgegevens van eiser waren daardoor al bekend bij de vreemdelingenpolitie waardoor zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser op de juiste grondslag is opgehouden. De minister mag de informatie over de identiteit en nationaliteit van eiser, verkregen in het kader van de strafrechtelijke aanhouding, als uitgangspunt nemen maar is hiertoe niet verplicht. [1] Dat zijn identiteit in het strafrecht bekend is betekent dus niet dat de minister geen verder onderzoek mag verrichten naar eisers identiteit en nationaliteit in het kader van de inbewaringstelling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister er in dit geval voor mocht kiezen om eiser op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 op te houden. De minister wijst daarnaast terecht op het feit dat eiser geen identiteitsdocumenten heeft en voorafgaand aan de inbewaringstelling gehoord is ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. [2] Zijn identiteit was op dat moment dus ook nog niet bekend. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling omdat hij familieleden en een vrouw in Spanje heeft. Eiser heeft aangegeven dat hij bij hen in Spanje wil verblijven en betoogt dat zijn recht op gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, is geschonden door de inbewaringstelling. Bovendien heeft de minister niet eerder een lichter middel opgelegd zoals een meldplicht. Ook hierdoor was een lichter middel aangewezen.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister heeft de familieomstandigheden van eiser voldoende betrokken in de maatregel. Zo wijst de minister er in de maatregel terecht op dat zijn recht op gezinsleven nog steeds op een andere manier kan worden ingevuld en dat eiser niet veel over zijn familie en vrouw wil verklaren. Verder wijst de minister terecht op de onbetwiste gronden van de maatregel en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Bovendien is van belang dat eiser niet wil meewerken aan zijn terugkeer naar Marokko omdat hij naar Spanje wil. Eiser heeft echter de verplichting om terug te keren naar Marokko en niet naar Spanje. Dat niet eerder een lichter middel is opgelegd, maakt het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Handelt de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting?
3. Eiser voert aan dat de minister meer inspanningen had moeten verrichten om zijn uitzetting te laten plaatsvinden. Eiser heeft drie maanden in strafrechtelijke detentie gezeten maar de minister heeft pas op 17 april 2025, negen dagen ná de inbewaringstelling, een laissez-passer (lp) aanvraag voor eiser in gang gezet bij de Marokkaanse autoriteiten. Hierdoor heeft de minister niet voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Ook na het opleggen van de maatregel heeft de minister onvoldoende voortvarend gehandeld. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) moet in aansluiting op strafrechtelijke detentie binnen zes dagen een effectieve uitzettingshandeling plaatsvinden. [3] Dat is hier niet gebeurd. Een vertrekgesprek kan niet als een dergelijke handeling worden aangemerkt.
3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de minister zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. De minister stelt zich op het standpunt dat dit gebrek tot een belangenafweging moet leiden. [4] De minister stelt zich terecht op het standpunt dat dit in het voordeel van de minister dient uit te vallen. In dit kader wijst de minister op het onttrekkingsrisico dat uit de onbetwiste gronden volgt, dat eiser meermaals heeft aangegeven niet naar Marokko terug te willen en geen medewerking verleent aan zijn uitzetting. Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat de minister na het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat op 14 april 2025, dus binnen zes dagen na het opleggen van de maatregel, een vertrekgesprek met eiser is gevoerd waarin zijn lp-aanvraag in gang is gezet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat dit een effectieve uitzettingshandeling is. [5] De beroepsgrond treft geen doel.
Heeft eiser te lang in een politiecel verbleven?
4. Eiser voert aan dat hij langer dan 24 uur in een politiecel heeft verbleven nadat aan hem de maatregel van bewaring is opgelegd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2024 volgt dat een tijdelijke plaatsing in een politiecel in de regel niet langer dan 24 klokuren mag duren. [6] Eiser betoogt dat zijn maatregel hierdoor moet worden opgeheven.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser vanaf 8 april 2025 om 15:49 uur tot 9 april 2025 om 19:28 uur in een politiecel heeft verbleven nadat aan hem de maatregel van bewaring is opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de hiervoor genoemde termijn van 24 klokuren dus met 3 uur en 39 minuten is overschreden. Dit wordt door de minister ook niet betwist. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025 volgt dat de overschrijding van de termijn niet zonder meer leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel. [7] In dat geval is de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig. [8] Eiser heeft dan aanspraak op een schadeloosstelling als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het EVRM in samenhang gelezen met artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000. In het geval van eiser, waarbij sprake was van een overschrijding van het verblijf in de politiecel van 3 uur en 39 minuten wordt deze schadeloosstelling vastgesteld, naar de norm van € 30,00 per dag of gedeelte van de dag, op in totaal € 30,00. Het betoog dat deze schadevergoeding onvoldoende zou zijn omdat, anders dan in de uitspraak van de Afdeling, geen sprake is van een overschrijding van de termijn met twee uur maar bijna vier uur volg de rechtbank niet. Uit de uitspraak van de Afdeling volgt immers dat het schadebedrag van € 30,00 moet worden toegekend per dag of gedeelte van de dag.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [9]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is, zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel, gegrond. Voor het overige is het beroep ongegrond. Voor het nadeel dat eiser heeft geleden zoals overwogen onder rechtsoverweging 4.1. heeft hij aanspraak op € 30,00 aan schadeloosstelling. Er is geen grond voor schadevergoeding als bedoeld in artikel 106 van Pro de Vw 2000.
7. Als gevolg van de geconstateerde schendingen onder rechtsoverweging 3.1 en 4.1. veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,-).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden om aan eiser bij wijze van schadeloosstelling € 30,00 te betalen;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie ABRvS 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134 en ABRvS 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2297.
2.Zie de HV12 Proces-verbaal van verhoor van 8 april 2025.
3.ABRvS 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2137, overweging6.
4.De minister wijst in dit kader op ABRvS 10 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2631.
5.ABRvS 4 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2018:1505.
8.ECLI:NL:RVS:2014:1605, r.o. 4.1 en r.o. 5.
9.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.