Eiser ontvangt sinds 2013 bijstand en gaf sinds 2015 zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres aan. Na een melding over mogelijke onderverhuur startte het college een onderzoek waarbij extreem laag waterverbruik en pinbetalingen in een andere plaats aanleiding waren om te vermoeden dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde. Het college trok de bijstand in per 7 april 2023 en vorderde terug over 1 oktober 2021 tot 6 april 2023.
De rechtbank oordeelt dat een extreem laag waterverbruik (maximaal 7 m³ per jaar) de vooronderstelling rechtvaardigt dat het hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres is. Voor de periode 1 oktober 2021 tot 10 mei 2022 was het waterverbruik extreem laag, waardoor het college terecht de intrekking handhaafde. Eiser slaagde er niet in dit te weerleggen.
Voor de periode 10 mei 2022 tot 6 april 2023 was het waterverbruik laag maar niet extreem laag, wat slechts een aanwijzing vormt. Het college leverde geen aanvullend bewijs, zoals het huisbezoek en pinbetalingen, om aannemelijk te maken dat het hoofdverblijf niet op het adres was. De rechtbank vernietigt daarom het besluit voor deze periode en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen over de terugvordering. Tevens veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten.