Appellante ontving bijstand sinds 2014 en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Een heronderzoek in 2018 leidde tot vragen over haar woonsituatie, mede door laag waterverbruik en het feit dat het pand afgesloten was van gas en elektriciteit sinds januari 2016. Tijdens een gesprek op 14 juni 2018 gaf appellante een verklaring over haar situatie, maar deze werd niet aannemelijk geacht. Het college besloot daarop de bijstand vanaf 15 januari 2016 in te trekken wegens vermoedens dat zij niet op het adres woonde.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel degelijk op het adres woonde en dat zij toestemming had gegeven voor een huisbezoek, maar dit werd door de Raad niet gevolgd. De Raad oordeelde dat laag waterverbruik en afsluiting van nutsvoorzieningen aanwijzingen zijn, maar zonder aanvullend bewijs niet toereikend voor intrekking. Appellante had pas op 14 juni 2018 haar medewerkingsplicht geschonden door niet mee te werken aan het huisbezoek.
De Raad vernietigde het besluit voor de periode tot 14 juni 2018 wegens gebrek aan bewijs, maar bevestigde de intrekking vanaf die datum. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.