ECLI:NL:RBDHA:2025:13645
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking terugkeervisum en toegangsweigering Nederland
Verzoeker, van Turkse nationaliteit, heeft meerdere keren een EU/EER verblijfsdocument aangevraagd op grond van een duurzame relatie, maar deze aanvragen zijn afgewezen. Na een eerdere terugkeerbeschikking met vertrektermijn van vier weken, werd hem een terugkeervisum verleend dat later door de Koninklijke Marechaussee werd ingetrokken vanwege gewijzigde feiten en omstandigheden. Verzoeker werd de toegang tot Nederland geweigerd bij aankomst op Schiphol en een vlucht terug naar Turkije was gepland.
Verzoeker stelde dat hij niet op de hoogte was gesteld van de intrekking van het visum en dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op toegang tot Nederland tot 31 juli 2025 om administratieve zaken af te ronden. De minister betoogde dat het bezit van een terugkeervisum geen onherroepelijk recht op toegang geeft en dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden van de Schengengrenscode en de Vreemdelingenwet.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker terecht de toegang werd geweigerd omdat hij geen geldig visum of verblijfsvergunning had. Er was geen sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen op toegang en de bezwaarprocedure kon in het land van herkomst worden afgewacht. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De uitspraak is gedaan op 23 juli 2025 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking van het terugkeervisum en toegangsweigering wordt afgewezen.