ECLI:NL:RBDHA:2025:13661
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk na vertrek asielzoeker met IOM en beëindiging verblijfsprocedures
Eiser diende op 15 september 2023 een asielaanvraag in die werd afgewezen met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar. Op 15 april 2025 vroeg eiser opnieuw een verblijfsvergunning aan, welke op 15 mei 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde op 21 mei 2025 beroep in tegen dit besluit. De rechtbank behandelde het beroep op 1 juli 2025 en heropende het onderzoek na ontvangst van nadere stukken op 11 juli 2025.
Uit deze stukken bleek dat eiser op 7 juli 2025 met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) naar Algerije was vertrokken en een verklaring had ondertekend waarin hij openstaande procedures voor een verblijfsvergunning beëindigde. Verweerder verzocht daarop de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan procesbelang.
De rechtbank volgde dit verzoek en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, verwijzend naar vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Omdat het beroep is beslist, wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang na vertrek met IOM en beëindiging van verblijfsprocedures.