ECLI:NL:RBDHA:2025:13674

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
AWB 21/2734
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Grensoverschrijdende dienstverrichting en verblijfsrecht voor derdelander-werknemers

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over de verblijfsvergunningen voor derdelander-werknemers die gebruik maken van grensoverschrijdende dienstverrichting. De rechtbank behandelt de beroepen van 64 eisers, die bezwaar hebben gemaakt tegen de besluiten van de minister van Asiel en Migratie, waarin hun aanvragen voor verblijfsvergunningen zijn afgewezen. De rechtbank heeft de zaak behandeld na prejudiciële vragen die zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof heeft geoordeeld dat er geen automatisch afgeleid verblijfsrecht bestaat voor derdelander-werknemers en dat de duur van de verblijfsvergunning kan worden beperkt tot de duur van de vergunning in de lidstaat van herkomst. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eisers geen procesbelang meer hebben, omdat hun project is geëindigd, maar dat de werkgevers van de eisers nog wel procesbelang hebben. De rechtbank heeft de beroepen van de werkgevers gegrond verklaard, omdat de hoogte van de legeskosten voor de aanvragen niet goed was gemotiveerd door de verweerder. De rechtbank heeft de bestreden besluiten vernietigd en verweerder opgedragen om opnieuw te beslissen op de bezwaren van de werkgevers met betrekking tot de legeskosten. Tevens zijn de proceskosten en griffierechten aan de eisers toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 21/2734, AWB 21/2735, AWB 21/2736, AWB 21/2737,
AWB 21/2738, AWB 21/2740, AWB 21/2741, AWB 21/2742, AWB 21/2743,
AWB 21/2744, AWB 21/2745, AWB 21/2746, AWB 21/2747, AWB 21/2748,
AWB 21/2749, AWB 21/2750, AWB 21/2751, AWB 21/2752, AWB 21/2753,
AWB 21/2754, AWB 21/2755, AWB 21/2756, AWB 21/2757, AWB 21/2758,
AWB 21/2759, AWB 21/2760, AWB 21/2761, AWB 21/2762, AWB 21/2763,
AWB 21/2764, AWB 21/2765, AWB 21/2767, AWB 21/2769, AWB 21/2771,
AWB 21/2772, AWB 21/2773, AWB 21/2774, AWB 21/2775, AWB 21/2776,
AWB 21/2777, AWB 21/2778, AWB 21/2779, AWB 21/2780, AWB 21/4502,
AWB 22/1154, AWB 22/1155, AWB 22/1156, AWB 22/1157, AWB 22/1158,
AWB 22/1159, AWB 22/1161, AWB 22/1162, AWB 22/1163, AWB 22/1164,
AWB 22/1165, AWB 22/1166, AWB 22/1167, AWB 22/1168, AWB 22/1169,
AWB 22/1171, AWB 22/1172, AWB 22/1173, AWB 22/1175, AWB 22/1176,
AWB 22/1177, AWB 22/1178, AWB 22/1180

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] , eiser 1, V-nummer: [V-nummer 1]

[eiser 2], eiser 2, V-nummer: [V-nummer 2]
[eiser 3], eiser 3, V-nummer: [V-nummer 3]
[eiser 4], eiser 4, V-nummer: [V-nummer 4]
[eiser 5], eiser 5, V-nummer: [V-nummer 5]
[eiser 6], eiser 6, V-nummer: [V-nummer 6]
[eiser 7], eiser 7, V-nummer: [V-nummer 7]
[eiser 8], eiser 8, V-nummer: [V-nummer 8]
[eiser 9], eiser 9, V-nummer: [V-nummer 9]
[eiser 10], eiser 10, V-nummer: [V-nummer 10]
[eiser 11], eiser 11, V-nummer: [V-nummer 11]
[eiser 12], eiser 12, V-nummer: [V-nummer 12]
[eiser 13], eiser 13, V-nummer: [V-nummer 13]
[eiser 14], eiser 14, V-nummer: [V-nummer 14]
[eiser 15], eiser 15, V-nummer: [V-nummer 15]
[eiser 16], eiser 16, V-nummer: [V-nummer 16]
[eiser 17], eiser 17, V-nummer: [V-nummer 17]
[eiser 18], eiser 18, V-nummer: [V-nummer 18]
[eiser 17], eiser 19, V-nummer: [V-nummer 17]
[eiser 20], eiser 20, V-nummer: [V-nummer 20]
[eiser 21], eiser 21, V-nummer: [V-nummer 21]
[eiser 22], eiser 22, V-nummer: [V-nummer 22]
[eiser 23], eiser 23, V-nummer: [V-nummer 23]
[eiser 24], eiser 24, V-nummer: [V-nummer 24]
[eiser 25], eiser 25, V-nummer: [V-nummer 25]
[eiser 26], eiser 26, V-nummer: [V-nummer 26]
[eiser 27], eiser 27, V-nummer: [V-nummer 27]
[eiser 28], eiser 28, V-nummer: [V-nummer 28]
[eiser 29], eiser 29, V-nummer: [V-nummer 29]
[eiser 30], eiser 30, V-nummer: [V-nummer 30]
[eiser 31], eiser 31, V-nummer: [V-nummer 31]
[eiser 32], eiser 32, V-nummer: [V-nummer 32]
[eiser 33], eiser 33, V-nummer: [V-nummer 33]
[eiser 34], eiser 34, V-nummer: [V-nummer 34]
[eiser 35], eiser 35, V-nummer: [V-nummer 35]
[eiser 36], eiser 36, V-nummer: [V-nummer 36]
[eiser 37], eiser 37, V-nummer: [V-nummer 37]
[eiser 38], eiser 38, V-nummer: [V-nummer 38]
[eiser 39], eiser 39, V-nummer: [V-nummer 39]
[eiser 40], eiser 40, V-nummer: [V-nummer 40]
[eiser 41], eiser 41, V-nummer: [V-nummer 41]
[eiser 42], eiser 42, V-nummer: [V-nummer 42]
[eiser 43], eiser 43, V-nummer: [V-nummer 43]
[eiser 44], eiser 44, V-nummer: [V-nummer 44]
[eiser 45], eiser 45, V-nummer: [V-nummer 45]
[eiser 46], eiser 46, V-nummer: [V-nummer 46]
[eiser 47], eiser 47, V-nummer: [V-nummer 47]
[eiser 48], eiser 48, V-nummer: [V-nummer 48]
[eiser 49], eiser 49, V-nummer: [V-nummer 49]
[eiser 50], eiser 50, V-nummer: [V-nummer 50]
[eiser 51], eiser 51, V-nummer: [V-nummer 51]
[eiser 52], eiser 52, V-nummer: [V-nummer 52]
[eiser 53], eiser 53, V-nummer: [V-nummer 53]
[eiser 54], eiser 54, V-nummer: [V-nummer 54]
[eiser 55], eiser 55, V-nummer: [V-nummer 55]
[eiser 56], eiser 56, V-nummer: [V-nummer 56]
[eiser 57], eiser 57, V-nummer: [V-nummer 57]
[eiser 58], eiser 58, V-nummer: [V-nummer 58]
[eiser 59], eiser 59, V-nummer: [V-nummer 59]
[eiser 60], eiser 60, V-nummer: [V-nummer 60]
[eiser 61], eiser 61, V-nummer: [V-nummer 61]
[eiser 62], eiser 62, V-nummer: [V-nummer 62]
[eiser 63], eiser 63, V-nummer: [V-nummer 63]
[eiser 64], eiser 64, V-nummer: [V-nummer 64]
alsmede hun werkgevers:
[eiseres 1] s.r.o., eiseres 1
[eiseres 2] . z.o.o., eiseres 2
[eiseres 3], eiseres 3
hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. B.J. Maes),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigden: mr. R.P.G. van Bel en mr. A. Bondarev).

Procesverloop

Bij 44 afzonderlijke besluiten van 7 april 2021 heeft verweerder de bezwaren van eisers 1 tot en met 44 tegen de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘grensoverschrijdende dienstverlening’ ongegrond verklaard.
Eisers 1 tot en met 44 en eiseres 1 hebben beroep ingesteld tegen deze besluiten.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen met de zaaknummers die beginnen met ‘AWB 21’ op 21 oktober 2021 op een zitting behandeld. Eisers 1 tot en met 44 hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en hun toenmalige gemachtigde mr. D.O. Wernsing. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.P.G. van Bel. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
In de beslissing van 25 november 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen verzocht zich uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen. Bij brief van 22 december 2021 hebben eisers hierop instemmend gereageerd. Bij brief van 24 december 2021 heeft verweerder hierop instemmend gereageerd.
Bij 23 afzonderlijke besluiten van 30 december 2021 heeft verweerder de bezwaren van eisers 45 tot en met 64 tegen de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘grensoverschrijdende dienstverlening’ ongegrond verklaard, en heeft verweerder de bezwaren tegen de verlengingen van de vergunningen van eisers 1, 25 en 33 ongegrond verklaard.
Eisers 1, 25, 33 en 45 tot en met 64, alsmede eiseressen 1, 2 en 3, hebben beroep ingesteld tegen deze besluiten. Op verzoek van eisers en eiseressen zijn deze zaken aangehouden.
In de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 augustus 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:8164) zijn prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).
In het arrest van 20 juni 2024 (ECLI:EU:C:2024:530) heeft het Hof de prejudiciële vragen beantwoord. Op 29 juli 2024 heeft verweerder op het arrest gereageerd. Op 1 augustus 2024 hebben eisers op het arrest gereageerd.
De rechtbank heeft alle beroepen op 16 januari 2025 op een zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en hun toenmalige gemachtigde mr. D.O. Wernsing. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Bondarev. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
Op 10 februari 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde de heffing van griffierechten te corrigeren. Na ontvangst van de correcte griffierechten is op 24 juli 2025 het onderzoek definitief gesloten.

Overwegingen

Inleiding
1. Voor de weergave van de feiten, het juridisch kader, de standpunten van partijen tot aan het stellen van prejudiciële vragen, de gestelde prejudiciële vragen, en de aanleiding daartoe, verwijst de rechtbank naar zijn verwijzingsuitspraak van 11 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8164. In deze uitspraak zal de rechtbank zijn eindoordeel geven over de bestreden besluiten indachtig de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof en de reacties van partijen daarop.
2. Deze zaak gaat over grensoverschrijdende dienstverrichting. Dit houdt in dat een derdelander (iemand die niet de nationaliteit heeft van één van de lidstaten van de Europese Unie) een werkvergunning verkrijgt in een lidstaat en vervolgens op basis van die vergunning gedetacheerd wordt naar een andere lidstaat. Deze mogelijkheid bestaat doordat er in de Europese Unie een vrij verkeer van diensten geldt. Dit staat in de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
3. In Nederland moeten werknemers die gebruik willen maken van grensoverschrijdende dienstverrichting zich vooraf melden bij de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Als zij langer dan drie maanden willen blijven, moeten zij vervolgens een verblijfsvergunning aanvragen bij verweerder. De duur van die vergunning kan in Nederland niet langer zijn dan de duur van de vergunning in de lidstaat van waaruit de werknemer wordt gedetacheerd, en is hoe dan ook gemaximeerd tot twee jaar. Voor het behandelen van deze aanvragen worden door verweerder leges geheven. In deze uitspraak moet de rechtbank de vragen beantwoorden of het vereisen van een verblijfsvergunning, het bepalen van de duur van de verblijfsvergunning, en de hoogte van de legeskosten in overeenstemming is met het Europese recht. Daarmee is deze uitspraak niet alleen relevant voor eisers en eiseressen, maar ook voor grensoverschrijdende dienstverrichting in Nederland in het algemeen.
Ontvankelijkheid
4. Voordat de rechtbank de zaak inhoudelijk kan beoordelen, moet worden vastgesteld of er sprake is van procesbelang. Dat is het geval als eisers en eiseressen met het voortzetten van deze procedure in een gunstigere positie kunnen komen.
5. Gebleken is dat eisers 1 tot en met 64 verlengingen van hun verblijfsvergunningen hebben gekregen tot 31 december 2021, de einddatum van het project waarvoor zij naar Nederland zijn gedetacheerd. Aangezien dit project inmiddels geëindigd is, kunnen eisers 1 tot en met 64 persoonlijk niet meer in een gunstigere positie komen. In zoverre is er dan ook geen sprake meer van procesbelang en zijn de beroepen om die reden niet-ontvankelijk.
6. Eiseressen 1, 2 en 3 hebben echter als werkgevers van eisers 1 tot en met 64 in elk van de zaken nog wel een procesbelang. Als zou worden geoordeeld dat de duur van de verblijfsvergunningen ten onrechte is beperkt, zou dat namelijk leiden tot de conclusie dat zij ten onrechte kosten hebben gemaakt voor verlengingen. Het Hof heeft dit in punt 109 van het arrest ook overwogen. Daarnaast bestaat volgens vaste rechtspraak procesbelang bij het verkrijgen van een oordeel over de rechtmatigheid van een verleende verblijfsvergunning met het oog op het betrekken van dat oordeel bij toekomstige aanvragen. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS8397, en 25 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4009. Hierbij is van belang dat namens eiseressen onbetwist is gesteld dat er nog vele andere aanvragen voor grensoverschrijdende dienstverrichting aanhangig zijn.
7. Ook het betalen van griffierecht in elk van de zaken is een vereiste voor ontvankelijkheid van de beroepen. Aanvankelijk hebben eiseressen hiertegen beroepsgronden gericht, maar tijdens de zitting van 16 januari 2025 is namens eiseressen gesteld dat zij zich voor wat betreft het heffen van griffierecht en het daarbij toe te passen tarief refereren aan het oordeel van de rechtbank. Op grond van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb bedraagt het tarief voor het van eiseressen, als niet-natuurlijke personen, te heffen griffierecht 360 euro voor de zaken uit 2021 en 365 euro voor de zaken uit 2022. Van samenhangende besluiten zoals bedoeld in het derde lid is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, aangezien het concrete feitencomplex afhankelijk is van de situatie van de individuele werknemer (eisers 1 tot en met 64). Verder volgt uit het gegeven dat eiseressen 1, 2 en 3 gezamenlijk beroep hebben ingesteld evenmin dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in het derde lid. Eén en ander betekent dan ook dat van elk van eiseressen 1, 2 en 3 afzonderlijk griffierecht wordt geheven en wel per besluit waartegen beroep is ingesteld voor elk van de individuele eisers 1 tot en met 64. Deze griffierechten zijn inmiddels ook ontvangen. De zaak kan dan ook inhoudelijk worden beoordeeld.
Het arrest van het Hof
8. De rechtbank verwijst voor de inhoud van de antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen naar het arrest van het Hof van 20 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:530. Voor de leesbaarheid van deze uitspraak zal de rechtbank niettemin een korte samenvatting hiervan geven alvorens in te gaan op de standpunten van partijen en het eindoordeel daarover.
9. Het Hof heeft geoordeeld dat het recht op vrij verkeer van diensten niet zo ver strekt dat werknemers bij grensoverschrijdende dienstverrichting een automatisch afgeleid verblijfsrecht hebben. Omdat de binnenkomst en het verblijf van derdelander-werknemers in het kader van grensoverschrijdende dienstverrichting niet uitputtend in het Europese Unierecht is geregeld (geharmoniseerd), kan de Nederlandse regeling aan artikel 56 van het VWEU worden getoetst. In dat kader oordeelt het Hof als volgt.
10. Volgens vaste rechtspraak van het Hof mag het nuttig effect van het vrij verkeer van diensten niet teniet worden gedaan. Omdat met de Nederlandse regeling het uitoefenen van het vrije verkeer van diensten moeilijker wordt, is sprake van een beperking. Een beperking van het vrije verkeer van diensten is volgens de rechtspraak van het Hof alleen gerechtvaardigd als sprake is van een dwingend vereiste van algemeen belang. Bovendien moet de regeling geschikt zijn om het beoogde doel na te streven, en mag deze niet verder gaan dan noodzakelijk is. In dit geval zijn er volgens het Hof twee dwingende vereisten van algemeen belang aanwezig, die ook geschikt en noodzakelijk zijn: het waarborgen van de rechtszekerheid van de werknemers en het beschermen van de openbare orde in Nederland. Hierbij merkt de rechtbank overigens op dat verweerder zich op het laatstgenoemde niet heeft beroepen.
11. Het begrip ‘dienst’ in de zin van het VWEU omvat diensten van zeer verschillende aard. Het blijft echter een feit dat grensoverschrijdende dienstverrichting een tijdelijk karakter heeft, aldus het Hof. Een nationale regeling waarbij grensoverschrijdende dienstverrichting nooit een bepaalde duur mag overschrijden is dan ook niet in strijd met het Europese Unierecht, zelfs niet als die duur korter is dan de duur van het project waarvoor de werknemers worden gedetacheerd. Dit is alleen anders als deze bepaalde duur kennelijk te kort is voor de meerderheid van de werkgevers, of wanneer bij het verlengen daarvan sprake is van buitensporige formaliteiten. Daarnaast is het beperken van de duur van de verblijfsvergunning tot de duur van de vergunning die de werknemer eerder heeft gekregen in de lidstaat van waaruit hij wordt gedetacheerd geen schending van het recht op vrij verkeer van diensten. Een werkgever kan namelijk slechts gebruik maken van dit recht voor zover de werknemer in overeenstemming met het recht van zijn lidstaat is tewerkgesteld.
12. Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat het in rekening brengen van legeskosten slechts verenigbaar is met artikel 56 van het VWEU als het bedrag niet buitensporig of onredelijk is. De vraag of daarvan sprake is, moet worden beoordeeld in het licht van de kosten die de lidstaat moet dragen. De omstandigheid dat het bedrag hoger is dan het legesbedrag bij afgifte van een verblijfsdocument voor Unieburgers volstaat op zich in beginsel niet om aan te tonen dat de kosten buitensporig of onredelijk zijn, maar kan daarvoor wel een ernstige aanwijzing vormen indien de taken die de overheid moet vervullen overeen komen.
Het standpunt van verweerder
13. Verweerder ziet in het arrest van het Hof een bevestiging van zijn standpunt dat bij grensoverschrijdende dienstverrichting per individuele derdelander-werknemer naast een eenvoudige melding een verblijfsvergunning mag worden gevraagd als de dienstverrichting langer dan drie maanden duurt. Echter komt verweerder in zoverre terug op zijn standpunt dat deze regeling wel een beperking vormt van het recht op vrij verkeer van diensten, en dat deze beperking niet wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om de arbeidsmarkt te beschermen en de noodzaak om na te gaan of sprake is van misbruik van het recht van vrij verkeer van diensten. Het waarborgen van de rechtszekerheid van de werknemers is wel als rechtvaardigingsgrond aanvaard door het Hof en is ook evenredig geacht. Deze grond kan de bestreden besluiten volgens verweerder dragen.
14. Verder wijst verweerder erop dat het Hof heeft geoordeeld dat de duur van de verblijfsvergunning voor grensoverschrijdende dienstverrichting mag worden beperkt tot de duur van de vergunning in de lidstaat van waaruit de werknemer wordt gedetacheerd, en dat deze hoe dan ook mag worden gemaximeerd op twee jaar. Anders dan eiseressen aanvoeren, is dan ook volgens verweerder geen sprake van onverbindendheid van de bepaling waarin dit maximum van twee jaar is vastgelegd: artikel 3.58, eerste lid, onder i, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
15. De legesbedragen van 290 euro in 2021 en 320 euro in 2022 zijn volgens verweerder verre van toereikend om de kosten voor het behandelen van de aanvragen te dekken. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder verwezen naar het rapport ‘Opbouw IND Legeskostenprijzen 2018’ en de onderliggende ‘Detailberekening legeskostenprijzen 2018’. Deze prijzen zijn dan ook niet buitensporig of onredelijk, aldus verweerder. Met ingang van 1 januari 2019 zijn deze tarieven na een oproep van de Europese Commissie aanzienlijk verlaagd. De nieuwe tarieven zijn gebaseerd op drie keer de prijs van de nationale identiteitskaart voor individuele aanvragers, en vijf keer die prijs voor professionele aanvragers. Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat vergunningen voor grensoverschrijdende dienstverrichting een kortere duur hebben dan een nationale identiteitskaart. Nog verdere verlaging van deze prijzen zou volgens verweerder malafide werkgevers die vooral handelen vanuit financieel gewin in de kaart spelen. Al met al moeten volgens verweerder de beroepen ongegrond worden verklaard.
Het standpunt van eiseressen
16. Het Hof heeft duidelijk geoordeeld dat er geen sprake is van een afgeleid verblijfsrecht en dat de verblijfsvergunningsplicht gerechtvaardigd is, aldus eiseressen. Waar het gaat om de duur van de vergunning voor grensoverschrijdende dienstverrichting, zoekt het Hof in punt 116 van het arrest volgens eiseressen ten onrechte aansluiting bij tewerkstelling van derdelanders door andere ondernemingen in Nederland. Het is namelijk niet zo dat daarbij de maximumduur van twee jaar gebruikelijk is. Eiseressen voeren aan dat de termijn van drie jaar gebruikelijk is bij andere verblijfsvergunningen voor internationale arbeid. Hierbij wijzen eiseressen bij wijze van voorbeeld op het associatierecht met Turkije (artikel 6 en 7 van het Associatiebesluit van de Associatieraad EEG/Turkije Nr. 1/80), de ICT-richtlijn (Richtlijn 2014/66/EU) en de Regeling internationaal handelsverkeer (artikel 5.2 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022). Dit zou volgens eiseressen ook beter aansluiten bij de praktijk, waarin legio projecten langer duren dan twee jaar maar zelden langer duren dan drie jaar. Artikel 3.58, eerste lid, onder i, van het Vb moet dan ook volgens eiseressen worden aangepast vanwege strijd met het Europese Unierecht.
17. Waar het gaat om de leges, wijzen eiseressen erop dat tijdens de zitting van 21 oktober 2021 door verweerder is toegelicht dat de beoordeling van een aanvraag voor grensoverschrijdende dienstverrichting zeer eenvoudig is. Gelet hierop is er volgens eiseressen geen mogelijkheid om een hoger legestarief te vragen dan het tarief voor gemeenschapsonderdanen (58 euro in 2021 en 64 euro in 2022). Hierbij wijzen eiseressen op punt 121 van het arrest van het Hof. In dit punt heeft het Hof namelijk geoordeeld dat een dergelijk verschil in tarieven een ernstige aanwijzing kan zijn dat het bedrag onevenredig is. Volgens eiseressen moet dan ook artikel 3.34, onder i, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 worden aangepast wegens strijd met het Europese Unierecht. Al met al verzoeken eiseressen om gegrondverklaring van de beroepen, restitutie van de teveel betaalde leges inclusief wettelijke rente, een proceskostenvergoeding voor 13,5 procespunt in elk van de zaken met wegingsfactor 1,5 (zwaar) en vergoeding van de betaalde griffierechten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De duur van de verblijfsvergunning voor grensoverschrijdende dienstverrichting
18. In deze uitspraak acht de rechtbank geen aanvullend oordeel meer nodig over de eerste en de tweede prejudiciële vraag. Het Hof heeft geoordeeld dat de artikelen 56 en 57 van het VWEU geen afgeleid verblijfsrecht meebrengen voor derdelander-werknemers die gebruik maken van grensoverschrijdende dienstverrichting. Ook heeft het Hof geoordeeld dat het is toegestaan om, naast een eenvoudige melding, een verblijfsvergunning te vereisen per individuele werknemer wanneer de dienstverrichting langer dan drie maanden duurt. Partijen hebben zich hier achter geschaard.
19. Ook over de derde prejudiciële vraag, aanhef en onder b, is geen verder oordeel meer nodig. Het Hof heeft geoordeeld dat het niet in strijd is met het Europese Unierecht om de duur van een verblijfsvergunning voor grensoverschrijdende dienstverrichting te beperken tot de duur van de vergunning die de werknemer eerder heeft gekregen in de lidstaat van waaruit hij wordt gedetacheerd. Ook hierachter hebben partijen zich geschaard.
20. Partijen zijn nog wel verdeeld over de vraag of de duur van een verblijfsvergunning voor grensoverschrijdende dienstverrichting nooit de duur van twee jaren mag overschrijden. In dit kader leest de rechtbank punt 116 van het arrest van het Hof aldus dat elke bepaalde duur voor een verblijfsvergunning voor grensoverschrijdende dienstverrichting in beginsel is toegestaan, zolang deze niet kennelijk te kort is voor de meerderheid van de dienstverrichters en zolang er zonder buitensporige formaliteiten een verlenging kan worden verkregen. Dat het in Nederland mogelijk is om zonder buitensporige formaliteiten een verlenging van de verblijfsvergunning voor grensoverschrijdende dienstverrichting te verkrijgen, is tussen partijen niet in geschil. Het Hof heeft verder naar het oordeel van de rechtbank niet bedoeld te overwegen dat een bepaalde duur van twee jaren alleen is toegestaan als die termijn ook voor andere verblijfsvergunningen voor internationale arbeid in de betreffende lidstaat gebruikelijk is. De maatstaf die het Hof aanlegt is van feitelijke aard en ziet uitsluitend op een verblijfsvergunning voor grensoverschrijdende dienstverrichting. De stelling van eiseressen dat een termijn van twee jaren voor het gros van de grensoverschrijdende dienstverrichtingen niet voldoende is, is door hen niet onderbouwd, anders dan dat zij in algemene zin verwijzen naar eigen ervaringen. Hiermee hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat in Nederland niet wordt voldaan aan de door het Hof genoemde voorwaarde voor het maximeren van de duur van een verblijfsvergunning.
21. Dat artikel 3.58, eerste lid, onder i, van het Vb deels onverbindend moet worden geacht, volgt de rechtbank dan ook niet.
22. In de conclusie van advocaat-generaal Rantos, en in de schriftelijke opmerkingen van verweerder bij het Hof, is erop gewezen dat de termijn van 24 maanden in het Europese Unierecht gebruikelijk is als maximumduur bij detachering. Hierbij is gewezen op de Verordening 883/2004 en de Richtlijn 2018/957. Eiseressen hebben hier echter terecht tegen aangevoerd dat dit ziet op de duur van de toepasselijkheid van het sociale zekerheidsrecht en niet op de duur van de dienstverrichting. Hierbij hebben eiseressen terecht gewezen op het arrest van het Hof van 3 juni 2021 in de zaak
Team Power Europe(ECLI:EU:C:2021:427). Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan dit eiseressen echter niet meer baten.
Legeskosten
23. Partijen zijn nog verdeeld over de vraag of verweerder voor het behandelen van de aanvragen de legeskosten (290 euro in 2021 en 320 euro in 2022) per aanvraag bij eiseressen in rekening heeft mogen brengen.
24. Het Hof heeft geoordeeld dat legeskosten niet buitensporig of onredelijk mogen zijn, en moeten worden beoordeeld in het licht van de kosten die de lidstaat voor het behandelen van de aanvraag maakt. Ook heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat de legeskosten voor het behandelen van een aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument voor Unieburgers lager zijn in beginsel niet volstaat om aan te tonen dat het legesbedrag buitensporig of onredelijk is, maar wel een ernstige aanwijzing daarvoor kan zijn als de taken die de overheid moet vervullen overeenkomen.
25. Anders dan eiseressen aanvoeren, is in de door verweerder bij de reactie op het arrest overgelegde bijlagen wel te zien hoe de legeskosten voor het behandelen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor grensoverschrijdende dienstverrichting zijn opgebouwd. Hierbij verwijst de rechtbank in het bijzonder naar regel 500 in het document ‘Detailberekening legeskostenprijzen 2018’. Dit is tijdens de zitting van 16 januari 2025 ook opgehelderd.
26. Dit laat echter onverlet dat de rechtbank niet overtuigd is van de door verweerder gegeven motivering voor de hoogte van de legeskostenprijzen bij grensoverschrijdende dienstverrichting. De omstandigheden dat deze legeskostenprijzen mede naar aanleiding van het starten van een infractieprocedure door de Europese Commissie zijn verlaagd, en niet voldoende zijn om de werkelijke directe en indirecte kosten voor het behandelen van deze aanvragen te dekken, is voor een dergelijke motivering onvoldoende. Gelet op met name punt 121 van het arrest van het Hof dient namelijk te worden nagegaan of er een rechtvaardiging bestaat voor het feit dat de legeskosten bij afgifte van een verblijfsdocument voor Unieburgers in Nederland veel lager zijn, waarbij moet worden gekeken naar de taken die verweerder bij het afgeven van beide vergunningen moet verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder een dergelijke rechtvaardiging niet gegeven. Hierbij is van belang dat, zoals ook door verweerder op de zitting van 21 oktober 2021 is toegelicht, maar zeer weinig handelingen nodig zijn om een verblijfsvergunning voor grensoverschrijdende dienstverrichting af te geven. Het ligt gelet daarop juist niet in de rede dat de legeskosten bij grensoverschrijdende dienstverrichting hoger zijn omdat er meer handelingen nodig zouden zijn dan bij afgifte van een verblijfsdocument voor Unieburgers.
27. Tijdens de zitting van 16 januari 2025 heeft verweerder nog toegelicht dat er bij grensoverschrijdende dienstverrichting voor is gekozen om aan te sluiten bij de kosten van een Nederlandse identiteitskaart, omdat de Verordening 73/184/EEG uit 1973 destijds bepaalde dat de kosten van een verblijfsdocument voor Unieburgers niet hoger mochten zijn dan de kosten voor een verblijfsdocument voor eigen onderdanen. Nog los van de omstandigheid dat deze verordening niet meer geldig is, ziet dit niet op grensoverschrijdende dienstverrichting. Dit kan dan ook niet bijdragen aan de rechtvaardiging van de legeskosten voor grensoverschrijdende dienstverrichting. Ook de stelling van verweerder dat grensoverschrijdende dienstverrichting van kortere duur is dan een verblijfsdocument voor Unieburgers, zodat er voor vergelijkbare periodes meer kosten moeten worden gemaakt, kan de hoogte van de legeskosten niet rechtvaardigen aangezien dit in het beoordelingskader zoals dat door het Hof uiteen is gezet geen rol speelt.
Conclusie, proceskosten en griffierechten
28. Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in de bestreden besluiten de hoogte van de in rekening gebrachte legeskosten niet goed heeft gemotiveerd. De beroepen zijn in zoverre gegrond. De bestreden besluiten zijn in zoverre in strijd met het motiveringsvereiste van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, en zullen in zoverre moeten worden vernietigd. Voor het overige kunnen de bestreden besluiten in stand blijven.
29. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om in te gaan op het verzoek van eiseressen om zelf in de zaken te voorzien. Daartoe is redengevend dat de rechtbank geen handvatten heeft om zelf vast te stellen welke legesbedragen in het kader van grensoverschrijdende dienstverrichting wel redelijk zouden zijn. Dit dient namelijk mede te worden gebaseerd op de handelingen die verweerder bij het behandelen van de aanvraag moet verrichten, in vergelijking met het behandelen van een aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument voor Unieburgers. Daarop heeft de rechtbank onvoldoende zicht. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen om opnieuw op de bezwaren van eiseressen te beslissen op het onderdeel van de legeskosten, met inachtneming van deze uitspraak. In het verlengde hiervan is het voor de rechtbank niet mogelijk om te bepalen hoeveel teveel betaalde leges aan eiseressen zouden moeten worden gerestitueerd.
30. In de gegrondverklaring van de beroepen van eiseressen ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) komen de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand via een forfaitair systeem voor vergoeding in aanmerking. In deze zaak levert de rechtsbijstand door een gemachtigde 8 punten op: een punt voor het indienen van het beroepschrift, een punt voor het verschijnen ter zitting op 21 oktober 2021, een half punt voor het indienen van een zienswijze op het stellen van prejudiciële vragen, twee punten voor het indienen van schriftelijke opmerkingen bij het Hof, twee punten voor het verschijnen ter zitting bij het Hof, een half punt voor het indienen van een zienswijze op het arrest van het Hof en een punt voor het verschijnen ter zitting op 16 januari 2025. De waarde per punt is € 907. Dit wordt vermenigvuldigd met wegingsfactor 1,5 (zwaar), omdat deze factor volgens vaste rechtspraak van toepassing is indien een zaak zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen. Toegekend wordt in totaal € 10.884. Dit bedrag wordt toegekend voor de 67 beroepschriften gezamenlijk. Het bepaalde in artikel 3 van het Bpb is namelijk van toepassing. Daarin staat dat beroepen die door de bestuursrechter gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde personen en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken identiek zijn worden aangemerkt als samenhangende zaken, en dat samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak.
31. Daarnaast ziet de rechtbank in de gegrondverklaring van de beroepen aanleiding om te bepalen dat verweerder de door eiseressen in elk van de zaken betaalde griffierechten moet vergoeden. In elk van de 44 zaken uit 2021 bedraagt dit € 360 en in elk van de 23 zaken uit 2022 € 365. Verweerder moet daarom in totaal € 24.235 aan griffierechten aan eiseressen vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart de beroepen, voor zover die zijn ingediend door eisers 1 tot en met 64, niet-ontvankelijk;
 verklaart de beroepen, voor zover die zijn ingediend door eiseressen 1, 2 en 3, gegrond;
 vernietigt de bestreden besluiten;
 draagt verweerder op om opnieuw op de bezwaren van eiseressen 1, 2 en 3 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak, op het onderdeel van de legeskosten;
 veroordeelt verweerder in de door eiseressen 1, 2 en 3 gemaakte proceskosten ter hoogte van € 10.884 (tienduizendachthonderdvierentachtig euro);
 bepaalt dat verweerder het in elk van de zaken door eiseressen 1, 2 en 3 betaalde griffierecht vergoedt, in totaal neerkomend op € 24.235 (vierentwintigduizendtweehonderdvijfendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 24 juli 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter en voorzitter, en mr. E.F. Bethlehem en mr. S.E. van de Merbel, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.