ECLI:NL:RBDHA:2025:13681

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
NL25.29812
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring en verzoek schadevergoeding in vreemdelingenzaak

De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om een maatregel van bewaring op te leggen aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de minister een lichter middel had moeten toepassen vanwege zijn gezinsleven en vaste woonplaats bij zijn vriendin. Daarnaast stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend was in de voorbereiding van zijn overdracht naar Zwitserland.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen minder dwingende maatregel dan bewaring doeltreffend kon zijn, mede omdat het onttrekkingsrisico bij een lichter middel te groot is. De bewering van eiser over een vaste woonplaats en relatie met zijn vriendin werd onvoldoende onderbouwd en zelfs tegengesproken door zijn eigen verklaring dat hij geen vaste woonplaats heeft.

Ten aanzien van het voortvarend handelen stelde de rechtbank vast dat de minister tijdig een claimverzoek aan de Zwitserse autoriteiten heeft verzonden en het akkoord op 2 juli 2025 ontving. De minister heeft vanwege het beroep en verzoek om voorlopige voorziening van eiser nog geen overdracht gepland, maar dit betekent niet dat hij niet voortvarend heeft gehandeld.

De rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter A.S.W. Kroon en griffier N. El-Amrani op 17 juli 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29812

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R. Loth als waarnemer van de gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Had de minister een lichter middel moeten opleggen?
1. Eiser voert aan dat de minister een lichter middel had moeten opleggen. Zoals blijkt uit de overgelegde verklaring heeft eiser een vaste woonplaats bij zijn vriendin. Ook heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met het gezinsleven dat hij uitoefent met zijn vriendin.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich, gelet op de onbetwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Het onttrekkingsrisico bij het opleggen van een lichter middel in plaats van een inbewaringstelling is te groot. Dat eiser een vriendin heeft is onvoldoende om af te zien van de inbewaringstelling. De minister heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een relatie heeft met deze vriendin. Ter zitting is daaraan terecht toegevoegd dat uit de verklaring van eisers gestelde vriendin, mevrouw [naam], niet blijkt dat zij een relatie onderhouden. Daarnaast is het mogelijk om de gestelde relatie op een andere manier in te vullen. Ook heeft eiser tijdens het gehoor van 27 juni 2025, anders dan hij in beroep stelt, verklaard dat hij geen vaste woonplaats heeft en op straat slaapt. [1] De rechtbank is gelet op voorgaande van oordeel dat de minister niet met een lichter middel kon volstaan.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
2. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht. De Zwitserse autoriteiten zijn immers al op 2 juli 2025 akkoord gegaan met het claimverzoek en tot op heden is geen overdracht gepland.
2.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de overdracht op de zevende dag voldoende voortvarend is. [2] Uit het dossier volgt dat de minister op 30 juni 2025, de derde dag van de inbewaringstelling, een claimverzoek heeft verzonden naar de Zwitserse autoriteiten. Verder heeft de minister op 2 juli 2025 het claimakkoord ontvangen. Ook is er op 4 juli 2025 een voornemen en op 13 juli 2025 een besluit genomen op de asielaanvraag van eiser. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft ter zitting toegelicht dat hij, vanwege het instellen door eiser van deze rechtsmiddelen, nog geen overdracht heeft gepland. Wel is de rechtbank is verzocht om het verzoek om voorlopige voorziening spoedig te behandelen. Er bestaan tot op heden dus nog geen aanknopingspunten dat eiser niet tijdig overgedragen kan worden aan Zwitserland. Gelet op voorgaande heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Pagina 4 Proces-verbaal van gehoor bij bewaring
2.ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829 en ABRvS 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.