De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om een maatregel van bewaring op te leggen aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de minister een lichter middel had moeten toepassen vanwege zijn gezinsleven en vaste woonplaats bij zijn vriendin. Daarnaast stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend was in de voorbereiding van zijn overdracht naar Zwitserland.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen minder dwingende maatregel dan bewaring doeltreffend kon zijn, mede omdat het onttrekkingsrisico bij een lichter middel te groot is. De bewering van eiser over een vaste woonplaats en relatie met zijn vriendin werd onvoldoende onderbouwd en zelfs tegengesproken door zijn eigen verklaring dat hij geen vaste woonplaats heeft.
Ten aanzien van het voortvarend handelen stelde de rechtbank vast dat de minister tijdig een claimverzoek aan de Zwitserse autoriteiten heeft verzonden en het akkoord op 2 juli 2025 ontving. De minister heeft vanwege het beroep en verzoek om voorlopige voorziening van eiser nog geen overdracht gepland, maar dit betekent niet dat hij niet voortvarend heeft gehandeld.
De rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter A.S.W. Kroon en griffier N. El-Amrani op 17 juli 2025.