ECLI:NL:RBDHA:2025:13731

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
NL25.7680
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMonderdeel B7/3.8.1 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken beschermenswaardig gezinsleven

Eiser, een Syrische jongvolwassene, verzocht om verlenging van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel 'familie en gezin'. Zijn moeder, die in Nederland een asielvergunning heeft, had de aanvraag ondersteund. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de criteria van het jongvolwassenenbeleid en er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn moeder.

Eiser betoogde dat hij nog afhankelijk was van zijn moeder, die hem financieel en emotioneel ondersteunt, en dat zij samen een bijzondere band hebben vanwege medische problemen en gedeelde ervaringen. Verweerder stelde dat eiser sinds tien maanden zelfstandig woont, de financiële steun minimaal is en de emotionele band niet zodanig is dat deze een beschermenswaardig gezinsleven vormt.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, dat de financiële en emotionele afhankelijkheid onvoldoende is aangetoond en dat de omstandigheden niet leiden tot een beschermenswaardig gezinsleven. Gezien de jurisprudentie is bij het ontbreken van een beschermenswaardig gezinsleven geen verdere belangenafweging vereist.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een beschermenswaardig gezinsleven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7680

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. P.M.W. Jans).

Inleiding

In het besluit van 21 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op een zitting behandeld in Breda. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig [referente] , referente. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M.W. Jans.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij stelt de zoon te zijn van referente. Zij heeft op 11 juni 2021 een asielvergunning gekregen in Nederland. Vervolgens heeft zij op 10 augustus 2021 bij verweerder een mvv aangevraagd voor de overkomst van eiser naar Nederland. Een mvv is een soort inreisvisum.
2. Op 16 november 2022 heeft referente op verzoek van verweerder aanvullende informatie overgelegd, en op 1 december 2022 is eiser door verweerder gehoord via een beeldverbinding met het gebouw van de Internationale Organisatie voor Migratie te Beiroet, Libanon. In het besluit van 2 februari 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
3. Eiser heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 31 oktober 2024 heeft er een hoorzitting van verweerder met referente plaatsgevonden, en daarna heeft eiser de gronden van het bezwaar verder aangevuld. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn identiteit en zijn familierechtelijke relatie met referente onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, maar dat hij op die punten het voordeel van de twijfel krijgt en dus alsnog in zijn stellingen wordt gevolgd. Volgens verweerder is er echter niet een zodanig gezinsleven aanwezig dat een mvv moet worden verleend. Eiser kan namelijk niet worden aangemerkt als een jongvolwassene die nog met de ouder in gezinsverband samenleefde en niet in eigen onderhoud voorzag. Daarnaast is tussen eiser en referente geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Omdat er geen sprake is van gezinsleven hoeft er geen verdere belangenafweging te worden gemaakt, aldus verweerder.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft aangemerkt als jongvolwassene. Hij is samen met referente naar Libanon gevlucht. Toen referente terug ging naar Syrië met als doel om samen met zijn nichtje naar Nederland te vluchten, was hij pas 23 jaar oud. Ook nu regelt referente op afstand nog basale dingen voor hem zoals kleding en eten, en ondersteunt zij hem financieel zoveel als zij kan. Daarnaast is er volgens eiser wel degelijk sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Daarbij weegt naast de hiervoor genoemde omstandigheden mee dat zowel referente als hijzelf medische problemen hebben. Bovendien hebben zij samen veel meegemaakt, waardoor zij een bijzondere band hebben. Ook wijst eiser erop dat hij in Libanon als illegale vreemdeling een slechte positie heeft, en dat hij niet terug kan naar Syrië omdat hij christen is. Ten slotte vindt eiser dat er in het bestreden besluit ten onrechte geen belangenafweging is gemaakt. Daarbij wijst hij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:4. In dit kader is volgens eiser van belang dat zowel referente als hijzelf in de toekomst waarschijnlijk een eigen inkomen kunnen genereren in Nederland, en dat hij maar een zeer beperkte band heeft met Libanon.
5. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Referente is niet vanwege een vluchtsituatie vanuit Libanon teruggegaan naar Syrië, aangezien zij heeft verklaard dat zij dit heeft gedaan vanwege de slechte omstandigheden in Libanon. Eiser heeft vervolgens tien maanden zelfstandig gewoond, en afgezien van een eenmalige bijdrage van 50 euro is niet onderbouwd dat referente hem financieel steunt. De medische problemen van referente zijn pas in Nederland ontstaan en de medische problemen van eiser zijn onduidelijk. Dat eiser en referente een emotionele band hebben die sterker is dan gebruikelijk, is ook niet onderbouwd. De stelling van eiser dat hij als christen in Syrië gevaar loopt, zegt niks over de mate van afhankelijkheid tussen eiser en referente. De stelling van referente dat zij een inkomen zal kunnen gaan genereren wordt niet gevolgd omdat dit niet nader onderbouwd is. Verder blijft verweerder bij de stelling dat eisers banden met Libanon sterker zijn dan die met Nederland, aangezien eiser daar al enkele jaren woont en de taal spreekt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht op gezins- en privéleven neergelegd. In het geval van een ouder en een meerderjarig kind is sprake van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van dit artikel als tussen hen een emotionele band bestaat met bijkomende elementen van afhankelijkheid (
additional elements of dependancy involving more than the normal emotional ties). Of een dergelijke band aanwezig is, moet van geval tot geval worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feitelijke omstandigheden. Daarbij mag geen doorslaggevend gewicht worden toegekend aan de vraag of sprake is van exclusieve afhankelijkheid. Dit staat in de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003.
7. Beschermenswaardig gezinsleven tussen een ouder en een meerderjarig kind kan, zonder dat sprake is van een dergelijke band, uitsluitend worden aangenomen als het meerderjarige kind jongvolwassen is, met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een huwelijk of een relatie. Dit wordt het jongvolwassenenbeleid genoemd en is opgenomen in onderdeel B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
8. Anders dan voorheen, hoeft geen verdere belangenafweging te worden gemaakt wanneer na een volledige beoordeling blijkt dat geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven. Dit staat in de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
9. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser niet voldoet aan alle vereisten van het jongvolwassenenbeleid. Het is namelijk niet aannemelijk gemaakt dat referente nog in het onderhoud van eiser voorziet. Een eenmalige bijdrage van 50 euro is daarvoor niet voldoende. Daarnaast heeft verweerder ook terecht overwogen dat referente niet vanwege een vluchtsituatie vanuit Libanon naar Syrië is teruggegaan. Deze reis was immers niet ingegeven door de veiligheidssituatie in Libanon, maar door de slechte leefomstandigheden aldaar en door de wens om samen met een nichtje van eiser, die zich toen nog in Syrië bevond, naar Nederland te gaan. Eiser is sindsdien in Libanon gebleven en leeft dus sindsdien niet meer in gezinsverband samen met referente.
10. In de beroepsgronden wordt aangehaald dat eiser en referente in Syrië een raketaanval in hun straat hebben meegemaakt, en dat referente meer emotionele steun van eiser nodig heeft sinds een broer van eiser, die in Zwitserland woonde, is overleden. Dit is ook terug te voeren op de gehoren die met eiser en referente zijn gehouden. Hoewel het voorstelbaar is dat de emotionele band tussen een ouder en een meerderjarige kind door dergelijke omstandigheden blijk kan geven van bijkomende elementen van afhankelijkheid, is in het geval van eiser en referente niet aannemelijk gemaakt dat dit feitelijk gestalte heeft gekregen. De gestelde medische omstandigheden kunnen daaraan niet bijdragen. Deze zijn in de eerste plaats niet onderbouwd. In de tweede plaats geldt dat referente tijdens de zitting op 2 juli 2025 heeft verklaard dat haar medische problemen pas na het vertrek uit Syrië zijn ontstaan. De door eiser benoemde slechte leefomstandigheden in Libanon en gevaren in Syrië vanwege zijn christelijke geloof, maken als zodanig niet dat zijn band met referente blijk geeft van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte overwogen dat een dergelijke band in het geval van eiser en referente niet aanwezig is.
11. Dit brengt mee dat in het geval van eiser en referente geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven. Gelet op de hiervoor onder 8 genoemde uitspraak heeft verweerder daarom terecht geen verdere belangenafweging verricht. De rechtbank komt dan ook niet toe aan bespreking van de beroepsgronden die daarover gaan.
12. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 24 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.