In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, wordt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beoordeeld. Eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. E. Derksen, heeft op 15 november 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv om bij haar echtgenoot te verblijven. De minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. K. Nuninga, heeft deze aanvraag op 13 maart 2024 afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar de minister heeft dit bezwaar op 28 januari 2025 ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld omdat er niet tijdig op haar bezwaar was beslist.
De rechtbank heeft op 16 juni 2025 de zaak behandeld. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk is, omdat de ingebrekestelling te vroeg is gedaan. Daarnaast is het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, dat vereist is voor het verkrijgen van een mvv. Eiseres heeft geen bewijs overgelegd dat zij voor het inburgeringsexamen is geslaagd, en de rechtbank oordeelt dat de minister terecht geen ontheffing heeft verleend van dit vereiste. De rechtbank concludeert dat de omstandigheden van eiseres niet voldoende zijn om haar vrij te stellen van het inburgeringsvereiste.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk en het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.