ECLI:NL:RBDHA:2025:13747

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
NL25.3431
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf en het niet tijdig beslissen op bezwaar

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, wordt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beoordeeld. Eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. E. Derksen, heeft op 15 november 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv om bij haar echtgenoot te verblijven. De minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. K. Nuninga, heeft deze aanvraag op 13 maart 2024 afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar de minister heeft dit bezwaar op 28 januari 2025 ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld omdat er niet tijdig op haar bezwaar was beslist.

De rechtbank heeft op 16 juni 2025 de zaak behandeld. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk is, omdat de ingebrekestelling te vroeg is gedaan. Daarnaast is het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, dat vereist is voor het verkrijgen van een mvv. Eiseres heeft geen bewijs overgelegd dat zij voor het inburgeringsexamen is geslaagd, en de rechtbank oordeelt dat de minister terecht geen ontheffing heeft verleend van dit vereiste. De rechtbank concludeert dat de omstandigheden van eiseres niet voldoende zijn om haar vrij te stellen van het inburgeringsvereiste.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk en het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3431

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2025 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K. Nuninga).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift en de daarop alsnog volgende ongegrondverklaring van dat bezwaar.
1.1.
De heer [referent] (referent) heeft namens eiseres, zijn echtgenote, op 15 november 2023 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent]’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 maart 2024 afgewezen.
1.2.
Op 8 april 2024 heeft referent hiertegen bezwaar gemaakt en op 23 januari 2025 heeft hij beroep ingesteld omdat niet tijdig op het bezwaar beslist zou zijn. Met het bestreden besluit van 28 januari 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar en het beroep tegen het bestreden besluit waarbij de aanvraag is afgewezen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Het beroep tegen het uitblijven van een besluit is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar
5. Eiseres betoogt dat zij op goede gronden beroep heeft aangetekend tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar en de minister om die reden de proceskosten moet vergoeden.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister op 13 maart 2024 heeft beslist op de aanvraag van referent. Op 8 april 2024 heeft referent hiertegen bezwaar gemaakt. De bezwaartermijn is op 11 april 2024 verstreken en dat is bepalend voor het aanvangen van de beslistermijn op het bezwaarschrift. De minister heeft op 18 april 2024 de termijn waarop de beslissing op bezwaar moet worden genomen uitgesteld met twee weken, omdat referent nog bezwaargronden moest indienen. De beslistermijn is door de herstelverzuim aangevangen op 2 mei 2024. De wettelijke termijn waarbinnen de minister moet beslissen is negentien weken. [1] Ook heeft de minister gebruik gemaakt van de mogelijkheid de beslistermijn met zes weken te verdagen. [2] Dit betekent dat de beslistermijn van de minister op 16 oktober 2024 zou verstrijken. Referent heeft de minister echter al op 2 oktober 2024 in gebreke gesteld. Gelet op het voorstaande stelt de minister in het verweerschrift en op zitting terecht dat de ingebrekestelling van 2 oktober 2024 niet geldig is. Referent heeft de ingebrekestelling te vroeg gestuurd. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk. Er bestaat geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten.
Het bestreden besluit
6. De minister heeft de aanvraag afgewezen en legt daaraan het volgende ten grondslag. Referent heeft namens eiseres een aanvraag gedaan om een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar echtgenoot. Eiseres komt pas in aanmerking voor een mvv als zij heeft voldaan aan het inburgeringsvereiste. [3] Dat vereiste houdt in dat eiseres in het jaar voorafgaand aan haar aanvraag moet zijn geslaagd voor het inburgeringsexamen. [4] Eiseres heeft geen brief overgelegd van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) waaruit blijkt dat zij voor het inburgeringsexamen is geslaagd. De minister vindt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een ontheffing van het inburgeringsvereiste [5] en wijst daarom de aanvraag af.
Mag de minister een inburgeringsvereiste hanteren?
7. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de aangevraagde mvv te verlenen. Volgens eiseres is het inburgeringsvereiste in strijd met artikel 14 van het EVRM. Ook heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over de vraag of het inburgeringsvereiste in strijd is met artikel 14 van het EVRM nog geen uitspraak gedaan. De minister had die uitspraak moeten afwachten.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Deze zittingsplaats van deze rechtbank heeft deze rechtsvraag eerder beoordeeld. Daarbij is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het inburgeringsvereiste in het buitenland niet in strijd is met artikel 14 van het EVRM, of met artikel 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. [6] De rechtbank oordeelde dat het inburgeringsvereiste geen ongerechtvaardigd onderscheid maakt op basis van nationaliteit. De rechtbank ziet in het betoog van eiseres geen reden om nu tot een ander oordeel te komen. Ook in het betoog van eiseres op zitting dat de Afdeling recent op dit onderwerp prejudiciële vragen heeft gesteld [7] en het daarom eiseres niet tegengeworpen mag worden, ziet de rechtbank geen aanleiding om van het eerdere oordeel van deze rechtbank af te wijken.
Had aan eiseres ontheffing moeten worden verleend van het inburgeringsvereiste?
8. Eiseres betoogt dat de minister haar ten onrechte niet heeft ontheven van de inburgeringsplicht. Zij verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak K. en A. van 9 juli 2015. [8] Daaruit volgt dat een inburgeringsplichtige vreemdeling moet worden vrijgesteld van het inburgeringsvereiste als blijkt dat dit vereiste de uitoefening van het recht op gezinshereniging in een individueel geval onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. [9]
Volgens eiseres is in haar geval sprake van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan de inspanningen van eiseres haar zodanig veel moeite kosten dat het inburgeringsexamen haar recht op gezinshereniging uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Eiseres is namelijk analfabeet. De minister stelt ten onrechte dat het afleggen van het examen eenvoudige computerhandelingen vereist. Voor het gebruik van een computer is enige leesvaardigheid vereist. Het zelfstudiepakket bestaat uit een audio-cd en audio-dvd. Eiseres beschikt niet over de financiële middelen om een computer aan te schaffen en beschikt niet over een aansluiting op het elektriciteitsnet. Ook referent beheerst de Nederlandse taal slecht en heeft geen netwerk in Nederland waarop hij kan terugvallen voor hulp bij de voorbereiding op het examen.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat er geen reden is om eiseres te ontheffen van het inburgeringsvereiste. De minister mag aan dat standpunt ten grondslag leggen dat voor het afleggen van het examen eenvoudige computerhandelingen nodig zijn. Daarbij heeft de minister terecht meegewogen dat eiseres niet verschilt van andere personen zonder computerervaring die dergelijke computerhandelingen moeten leren. Mocht eiseres niet over een computer beschikken dan kan zij hulp vragen aan iemand die daar wel over beschikt. Daar komt bij dat eiseres twee meerderjarige kinderen in Sri Lanka heeft die zij om hulp kan vragen.
Verder heeft de minister in het besluit van 13 maart 2024 er terecht op gewezen dat er een zelfstudiepakker voor analfabeten – zowel in een digitale als niet-digitale versie – beschikbaar is. De minister wijst er terecht op dat niet is gebleken dat eiseres geprobeerd heeft de niet-digitale versie van het zelfstudiepakket te verkrijgen waarmee zij zich kan voorbereiden op het examen.
Ten aanzien van het betoog van eiseres dat zij niet is aangesloten op een elektriciteitsnet wijst de minister terecht op het feit dat de elektrificatie van Sri Lanka in het jaar 2020 is voltooid en vanaf dat jaar alle Sri Lankanen zijn aangesloten op het elektriciteitsnet. [10] Ook werpt de minister eiseres terecht tegen dat referent heeft verklaard met eiseres telefonisch contact te hebben via Whatsapp en Viber. [11] Hieruit leidt de minister terecht af dat eiseres over een telefoon beschikt en de mogelijkheid heeft haar telefoon regelmatig op te laden en daarmee aangesloten is op een elektriciteitsnet. Ook kan de digitale versie van het zelfstudiepakket worden gedownload op de telefoon van eiseres. Hoewel ook de rechtbank begrijpt dat referent eiseres minder goed kan steunen, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat van referent verwacht mag worden dat hij hulp bij anderen vraagt om eiseres te steunen. Het betoog van eiseres dat referent in Nederland geen netwerk heeft doet aan het voorgaande niet af.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheden die eiseres in beroep naar voren heeft gebracht op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende zijn om te gelden als bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiseres zou moeten worden vrijgesteld van het inburgeringsvereiste. Zij vormen eveneens geen reden om van het geldende beleid af te zien op grond van artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank verklaart het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag is ongegrond. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart:
  • het beroep tegen het uitblijven van een besluit niet-ontvankelijk;
  • het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 76 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
3.Dit volgt uit artikelen 2p, eerste lid, en 16, eerste lid, onder h, Vw 2000.
4.Dit volgt uit artikel 3:71a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
5.De redenen voor vrijstelling staan in artikel 3.71a, tweede lid, van het Vb 2000.
6.Rechtbank Den Haag (zp. Arnhem) 11 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9148.
7.ABRvS 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2628.
8.HvJEU 9 juli 2015, C-153/14, K. en A., ECLI:EU:C:2015:453.
9.Zie verder IND-werkinstructie 2021/21, pagina 8 e.v.
10.[website]
11.Zie verslag gehoor, p. 2.