ECLI:NL:RVS:2025:2628
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Prejudicieel verzoek over nationaliteitsonderscheid bij inburgeringsvereiste in het buitenland
In deze zaak gaat het om het onderscheid dat de Nederlandse Vreemdelingenwet 2000 maakt tussen vreemdelingen die moeten voldoen aan het inburgeringsvereiste in het buitenland en vreemdelingen die daarvan zijn vrijgesteld op grond van hun nationaliteit. Betrokkenen, die gezinshereniging met een in Nederland verblijvend gezinslid met de Nederlandse nationaliteit beogen, kregen hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen omdat zij niet voldeden aan het inburgeringsvereiste.
De rechtbank oordeelde dat het onderscheid op grond van nationaliteit in strijd is met het discriminatieverbod van het EVRM en de Gezinsherenigingsrichtlijn, maar de Afdeling bestuursrechtspraak is van mening dat het onderscheid niet neerkomt op discriminatie op grond van afkomst, nationale of etnische afstamming. Wel staat de Afdeling stil bij de vraag of dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is en of het verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel van het EU-Handvest.
De Afdeling verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie om prejudiciële uitspraak over de vraag of de artikelen van de Gezinsherenigingsrichtlijn, gelezen in het licht van het EU-Handvest, zich verzetten tegen een regeling die op grond van bilaterale overeenkomsten een onderscheid naar nationaliteit maakt bij het inburgeringsvereiste in het buitenland. Totdat het Hof uitspraak doet, wordt de behandeling van de hoger beroepen geschorst.
Uitkomst: De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst en het Hof van Justitie wordt verzocht prejudiciële vragen te beantwoorden over het nationaliteitsonderscheid bij het inburgeringsvereiste in het buitenland.