Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, werd op 4 juli 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eerder was eiser in bewaring gesteld op grond van een besluit van 23 mei 2025, dat onrechtmatig werd verklaard omdat de omzetting van die maatregel te laat plaatsvond. Eiser stelde dat deze onrechtmatigheid doorwerkt in de huidige maatregel en dat hij daardoor onrechtmatig zeven dagen in bewaring heeft gezeten.
De minister erkende de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel en bood schadevergoeding aan voor de periode van 29 juni tot en met 3 juli 2025, maar betwistte dat dit gevolgen heeft voor de huidige maatregel. De rechtbank oordeelde dat de onrechtmatigheid van de voorgaande maatregel niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van de daaropvolgende maatregel, tenzij sprake is van kwade trouw of misleiding, wat niet is gebleken.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is vastgesteld dat een gebrek in een eerdere maatregel niet zonder meer de volgende maatregel onrechtmatig maakt. Ook een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld werd niet vastgesteld in deze zaak. De minister had voldoende gronden voor de huidige maatregel, waaronder risico op ontduiking van toezicht en belemmering van uitzetting.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.